www.columnschap.nl © 2010                    

 

Columns Hinke Vissia

 

In die Heimat

Waarom blijven we hier niet gewoon en kopen een flat? Ik zie het wel zitten, een schattig Ossiflatje zoals waar de hoofdrolspeler uit ‘Das leben der anderen’ in woont. Het liefst met authentieke DDR-inrichting (veel nephouten meubels die eigenlijk van karton zijn). Die flatjes kosten bijna niks tegenwoordig.
Nemen we er ook een Trabi bij. Zo’n handig miniautootje dat misschien wel tocht en hapert, maar hij is zo klein dat je hem bij pech gewoon mee in de metro naar huis kunt nemen. En verder kun je in Berlijn ook heel goed fietsen, dat is nu heel hip.
Wat is er nou leuker dan wakker worden van het geluid van de S-bahn, dan op de fiets naar Prenzlberg voor een lekker Frühstück met espresso macchiato om bij het ontbijt te bedenken naar welk museum we deze keer zullen gaan? ’s Middags gaan we winkelen en kun jij mooi alle cd-winkeltjes af van recordjunkie.com terwijl ik de nieuwste winkels induik voor grappige kleren en dingetjes voor in onze flat. Ja, wel kleine dingetjes, want het is natuurlijk niet zo’n groot huis als we nu hebben.
Ik voel me bij het idee alleen al opeens heel erg Duits. Komt natuurlijk door mijn Duitse genen. Je weet, mijn oma kwam uit Thüringen. Zij was dus ook gewoon een ossi. Oké, ze is niet gebleven, ze had kennelijk een voorgevoel en trouwde in de jaren dertig met een Nederlander. Maar toch, ik heb nog wel iets met de Duitse cultuur. Zo langzamerhand mag je dat toch wel weer toegeven? Als puber las ik al Goethe, Schiller, Mann en Böll.
Ik verheug me er nu al op dat ik elke herfst zodra ze in de winkel liggen, Lebkuchen kan gaan kopen. Ja, je mag ze eigenlijk pas met Kerst eten, daar is mijn moeder nog heel streng in, maar die hoeft dat toch niet te weten? Ik stuur haar en mijn zussen gewoon een flinke doos met die koeken en dan zijn ze helemaal blij.
De taal is sowieso geen probleem. Dankzij de degelijke lessen van mevrouw Visser ken ik nog steeds bijna alle voorzetselrijtjes met bijbehorende naamvallen uit mijn hoofd. Bovendien weet je dat ik niks liever doe dan weer een talencursus. Naast Italiaans kan ik er best nog een opfriscursus Duits bij hebben, hoor.
Ja, je hebt gelijk, ik ben eigenlijk meer een mediterraan type. Ik houd erg van Italiaans eten en drinken en het landschap, de zee, het klimaat. Dat heb je niet in Berlijn. Daar heb je uitlaatgassen en in de winter is het om vier uur ’s middags al donker. Kun je behoorlijk depressief van worden en daar heb ik talent voor, ja. Maar daar verzin ik dan wel iets op.
Wat we er dan gaan doen? Om geld te verdienen bedoel je? Nou ja, even denken, ten eerste kun je er natuurlijk heel goedkoop leven. Voor vijftien euro ga je al uit eten bij de Vietnamees of Thai. En ten tweede, er schiet me nu nog even niks te binnen, maar dat komt heus wel. Waarom doe je nou zo moeilijk en praktisch? Laat me nou even, heel even genieten van mijn eigen Ik-vertrek-momentje!

Hinke Vissia ©, december 2011                                      Back to top

 

Romantisch Berlijn

Er was eens een stel dat samen lekker een paar dagen naar Berlijn ging. Een goede vriend van de man ging heel toevallig ook, in hetzelfde weekend. Dus hij zou meerijden, lekker makkelijk. Toen boekte hij voor nog meer gemak ook maar hetzelfde hotel.
De vrouw had even niet opgelet. Nu had ze geen romantisch weekend met haar vriend, maar ze was opeens het aanhangsel van twee goede vrienden die lekker een weekendje met de mannen deden. Er stonden opmerkelijke activiteiten op het programma, zoals een wedstrijd van FC Union Berlin tegen Karlsruhe.
‘Ach, wat maakt het ook uit?’, dacht de vrouw. De zon scheen en het was een mooie gelegenheid om de Ossi-cultuur eens van dichtbij te bekijken, want FC Union is een Oost-Berlijnse voetbalclub. Met een stadion op een heel eind rijden van de Brandenburger Tor, langs veel troosteloze ossiflats. Onderweg haalden ze nog even twee andere mannen op. Nu zat de vrouw met vier mannen in een Suzuki Alto op weg naar voetballen. En dat al op de eerste dag in Berlijn.
In het stadion ‘an der Wuhlheide’ bleken sommige dingen grappig cultuurbevestigend, zoals de literglazen bier en de alom tegenwoordige reclame: Eberswalder, richtig gut die Wurst. Andere dingen waren gewoon voetbalcultureel bepaald: de clubsjaals om mee te zwaaien bijvoorbeeld, liefst simultaan en volgens rituele choreografie.
Bij elke speler die werd omgeroepen scandeerde het publiek: ‘Fussbalgott!’ De vrouw dacht: dit is gewoon religie! Een mooie sluiproute in de DDR-tijd trouwens, in plaats van bidden in de kerk elke zondag naar het stadion.
Bij de 37e minuut was de overheersende gedachte: leuk zo’n wedstrijd, maar hij duurt eigenlijk één helft te lang, vooral omdat je na drie kwartier meestal moet plassen, ook als je geen bier hebt gedronken. De plee bleek een onverwachte meevaller: gewoon nette toiletten, inclusief wc-papier, zeep en handdoekjes. Dat vond de vrouw een pluspunt voor het Duitse voetbal van de zweite Bundesliga.
FC Union bleek niet zo heel goed te spelen, maar Karlsruhe was nog slechter zodat het toch 2-0 werd. De sjaals gingen omhoog. Het publiek hield niet op met zingen en klappen. De vrouw vond het een beetje merkwaardig om in een Duits stadion Duitsers heel hard ‘sieg!’ te horen roepen in combinatie met opgestoken armen. Gelukkig staken de meeste mensen gewoon braaf twee armen tegelijk omhoog.
Maar het opvallendste was het clublied van Union. Het was ontroerend en krachtig tegelijk. Een socialistisch strijdlied met dwarse trekjes van niemand minder dan Nina Hagen. De vrouw merkte dat ze bijna moest huilen, zo mooi vond ze het. Maar ze huilde natuurlijk niet echt, ze nam gewoon nog een stevige slok whisky uit de veldfles en gaf hem door aan de volgende man. Stiekem overwoog ze een clubsjaal te kopen, maar alleen vanwege de leuke beer in het logo.

Hinke Vissia ©, december 2011                                                Back to top

 

Konijntjes

Alle inspanningen van mijn ouders ten spijt, ben ik van plattelandskind opgegroeid tot stadsmens en dat zal wel altijd zo blijven. Ik kan een boom onderscheiden van een vogel en een bloem van een struik, maar veel verder gaat mijn kennis der natuur niet.
Soms herken ik wel dingen, zoals een plant die ik eerder heb gezien. Alleen kan ik de naam die er bij hoort niet onthouden, al zeg je hem honderd keer.
Mijn vader schudt nu zijn hoofd. Hij heeft het met zijn dochters niet getroffen. Wij tuinieren niet, weten nauwelijks het verschil tussen een merel en een duif en zijn ook al geen wiskunde gaan studeren.
Toch betekent dit niet dat ik flora en fauna niet waardeer, in tegendeel. Ik ben blij met elk stukje loslopende natuur dat ik tegenkom, midden in de stad. Ook al is het een slapende poes in de etalage van een galerie. Ook heb ik na vakanties altijd een paar dagen last van heftige vervreemding. Opeens zie ik dan hoe lelijk en betonachtig het is in Rotterdam. Dan verlang ik terug naar Zuid-Frankrijk of Italië.  Naar uitzicht op de bergen, bossen geurende rozemarijn en lavendel, vleermuizen die om je oren vliegen, avonden op het terras met het geluid van een kerkuil. Nee, een ransuil. Nou ja, een soort vogel die oehoe-achtig klinkt. Dat is toch een uil dan?
(Gek genoeg ben ik ook selectief. Zodra ik thuis bent begint het idealiseren alweer. Ik denk nou nooit: god, wat mis ik de vliegende mieren/ horzels/ wespen/ muggen.)
Om te voorkomen dat ik buiten de vakantie om geen enkel groen blaadje zie, ga ik op de fiets naar mijn werk. Veel is het niet, maar er zijn onderweg een paar bomen die ik zou kunnen omhelzen en daar doe ik het voor. Ook krijg ik zo nog een vaag besef van de seizoenen mee.
Sinds een paar weken is er een nieuwe attractie bij gekomen. Vlak bij het Marconiplein, in een veldje zonder recreatieve bestemming, waar het gras nooit gemaaid wordt en ook geen bankjes staan. Op een dag zag ik daar iets hupsen. Ik remde en keek nog een keer. In het gras sprongen vijf konijntjes rond. Drie van onbestemd grijs, twee bruin-zwart. Ik stopte. Konijntjes! Midden in de ochtendspits met voorbij razende auto’s! Midden in de stad!
Omdat ik het bijna niet kon geloven maakte ik een paar foto’s. Ze zijn natuurlijk niet goed gelukt. Er staan een paar vlekjes op, midden in een lullig strookje gras. Maar als ik ’s avonds niet kan slapen pak ik mijn telefoon, ga naar de fotogalerij en vergroot de foto’s net zo lang tot ik duidelijk de lange oren van de konijntjes zie. Of zouden het toch hazen zijn?o:p>

Hinke Vissia ©, juli 2011                                                                             Back to top

 

Moderne communicatie

Het voordeel van een vaste telefoonlijn is dat je altijd precies weet wie er belt. Dat is de generatie die niet van vast naar mobiel wil bellen. Uit gewoonte. Uit zuinigheid. Omdat ze liever naar een huis bellen dan naar een mens.
Ik: telefoon!
Hij: Jouw ouders.
Ik: Die heb ik gisteren gesproken. Het is vast jouw moeder.
Hij: Geen zin.
Ik (na hijgend de trap oprennen): Te laat.
De meeste telefoontjes naar onze vaste lijn worden dus niet of slechts na vertraging beantwoord. Soms luister ik naar de voicemail, waar dan vaak tot mijn schrik berichten op staan van een week of ouder. Vooral mijn schoonouders willen ons tot in detail informeren over al hun ziekenhuiscontroles en uitslagen.
Maar het is hun eigen schuld als de communicatie hierdoor stroef verloopt. Ze hebben onze mobiele nummers en weten dat we daar altijd bereikbaar zijn. Je gaat bijna denken dat ze het leuk vinden hun berichten in te spreken.
Toch hebben mijn ouders zelf wel een mobiele telefoon. Een kermisexemplaar dat niks gekost heeft. Hij staat altijd uit en ze bellen er misschien drie keer per jaar mee. Het is een telefoon voor noodgevallen. Mijn moeder neemt hem mee als ze ´s avonds alleen onderweg is met de oude Toyota die ze acht jaar geleden van haar moeder geërfd heeft die hem al twaalf jaar had.
´Als er iets gebeurt, kan ik je vader bellen en dan komt hij me redden.´
Ze vindt dat een veilig idee en mijn vader ook. Het is inderdaad al een keer gebeurd dat hij mocht uitrukken om haar op een nachtelijk tijdstip van een Betuwse provincieweg te plukken.
Ik vind het ontroerend en schattig dat ze elkaar na vijftig jaar huwelijk nog steeds willen komen redden. Ze kunnen dus best met moderne hulpmiddelen omgaan als het maar belangrijk genoeg is. Hun kinderen bereiken valt daar kennelijk niet onder.

Hinke Vissia ©, mei 2011                                                                             Back to top

ADO - NEC op zaterdagavond

Als je man in het weekend met zijn liefhebberijen bezig is, sta je als vrouw achter hem. Ook als dat betekent dat je op zaterdagavond mee moet naar Leidschendam om daar bij een voetbalvriend met schotelantenne te kijken naar ADO – NEC.
Mannen die groepsgewijs voetbal kijken kunnen eigenlijk ook niet veel kwaad bedenk ik terwijl ik ga zitten op de enorme zwarte bank. Het linkerstuk is gereserveerd voor de gastheer en zijn gecompliceerde enkelbreuk, die nu al drie weken in die positie alle mogelijke voetbalwedstrijden volgt, bij voorkeur op een Arabische zender.
Maar wat is dat? Ondanks de schotelantenne kunnen we om de een of andere reden helemaal geen ADO-NEC zien via Eredivisie live. Zijn we daarvoor helemaal naar Leidschendam gereden om tussen de blowende Hagenezen op een kolossale bank te zitten?
Twintig minuten later is er met wat gepruts, een laptop en wat snoertjes op het breedbeeldscherm een klein vierkantje zichtbaar met voetballende poppetjes. Het staat 2 - 1.
De jongen rechts, met afzakkende joggingbroek, heeft na wat haaltjes van zijn joint, formaat sigaar, een enorme vreetkick. Met open mond kijk ik hoe hij in drie minuten tien chocolaatjes naar binnen propt. Dan staat hij op, komt terug uit de keuken met een zak stroopwafels en een zak chips en eet die ook allemaal op.
Gastvrijheid met een groep mannen betekent gewoon zelf naar de keuken lopen en daar alles pakken waar je zin in hebt.
De mannen drinken bier of goede whisky (Glenmorangie) of cola met slechte whisky (Jack Daniels).
‘Hé, kankermongool, zet jij die cola effe in de koelkast terug’, roept de heer des huizes.
Niemand vindt zichzelf een kankermongool. De cola blijft op tafel staan. Zonder dop.
Met ADO gaat het trouwens goed. Na rust wordt het 3-1, 4- 1, 5 -1.
Het kleine vierkantje op het tv-scherm wordt bovendien plotseling beeldvullend als de blowende jongen in een helder moment even een toets indrukt op de laptop.
FC Den Haag is trouwens allang veilig. Angst voor nacompetitie is onnodig. Dat was vorig jaar wel anders. Maar ja, dat was voor John van den Brom, voor Bulykin. Dat is gewoon heel lang geleden. Voordat Ajax en PSV bang werden voor ADO.
Tijd voor het eindsignaal. Niemand juicht. Het is bijna normaal geworden dat ADO wint. Met een beetje mazzel gaan ze ook nog Europees voetbal spelen.
De kankermongool heeft zijn joint op en is uitgegeten. Hij groet de aanwezigen en vertrekt.
Mooi, dan is er meer ruimte op de bank om tijdens Studio Sport de gemiste goals te zien, van Immers en Bulykin.
Mensen die nog moeten rijden beginnen in dit stadium water te drinken. Ik denk verlangend aan een goede film op tv. In bed kijken. Als tegenwicht tegen het voetbalbankhangen.

Hinke Vissia ©, maart 2011                                                                             Back to top

 

Verbouwing

De supermarkt was eindelijk klaar met verbouwen, na tien lange dagen. Er hingen ballonnen,  er waren hapjes en ik kreeg een plattegrond. Terwijl ik het nieuwe model boodschappenkar bij de groente door het poortje duwde, besefte ik dat de plattegrond zinloos was.
Om mij heen probeerden andere klanten met hun karretje vooruit te komen, maar tien minuten na de opening was er al een massaal verkeersinfarct. Zonder ruimte om je plattegrond uit te vouwen, zonder tijd om stil te staan, want dan zou niemand meer kunnen bewegen.
In dit soort situaties draai ik meestal meteen om en ga. Ik houd ervan heel dramatisch een volle kar op een onhandige plek te laten staan. Dan loop ik weg met de troostende gedachte dat iemand al die spullen terug moet gaan leggen. Net goed, want voor mij is het ook heel vervelend om zonder boodschappen weg te lopen uit een te volle winkel.
Ik kon nu niet weggaan, want ik had een missie. Die bestond uit het gratis taartje voor alle klanten die 15 euro aan artikelen bij elkaar wisten te sprokkelen.
Om mij heen vielen mensen supermarktmedewerkers om de hals. Het leek wel een soort receptie. Met glaasjes sap, ministroopwafels en ijsjes. Er waren zelfs bloemen.
Ik sloeg een pad in en probeerde het nieuwe winkelconcept tot me te laten doordringen. Welk marketingplan zat er achter het verschijnsel dat je in de oude winkel een rondje linksom moest maken, tegen de klok in dus? En dat dit nu veranderd is in met de klok mee? Met de klok mee lijkt misschien logischer, maar er zijn heel veel dingen die je tegen de klok in doet, zoals tango dansen en de klok terugzetten. Dat gaat al heel lang goed en dat moet je niet veranderen.
Misschien is de bedoeling  juist dat je in de war raakt, niks meer kunt vinden en allemaal dingen gaat kopen die je normaal nooit zou nemen. Dure dingen, omdat de goedkope varianten verstopt zijn op rare plekken. Als je dan eindelijk toch je lievelingskoekjes gevonden hebt en heel blij bent dat die niet uit het assortiment zijn verdwenen, let je bovendien niet op de prijs. Dus denk je dan niet: 1,28 euro, wat een raar bedrag. Die koekjes waren toch altijd 1,09?
Toen ik een uur, een bekertje koffie en twee ministroopwafels later bij de kassa kwam, lag er voor 15,19 euro in mijn karretje. Blij pakte ik het gratis taartje aan. Tot ik zag dat iedereen taartjes kreeg, ook mensen die maar twee dingen hadden die bij elkaar echt geen 15 euro kostten.
Bij de deur stonden twee blije winkelmedewerkers. ‘Het is voor ons ook goed’, zei het ene winkelmeisje tegen de andere winkeljongen, ‘Even lekker uit onze comfortzone.’

Hinke Vissia ©, maart 2011                                                                             Back to top

 

Italiaanse les

Omdat mijn groepsgenoten uit de beginnersklas aan het eind van de cursus stopten, kreeg ik zomaar promotie naar niveau 4. Ik maakte me een beetje zorgen, maar dat was nergens voor nodig. Groepje 4 lijkt namelijk meer op een kookcursus dan op Italiaanse les voor iets gevorderden.
In de eerste les was er een quiche en een ingewikkeld brood met lekkere dingen erin. De tweede les hadden drie mensen taart gebakken en kwam een van de cursisten met een smaakvolle aubergineschotel. O nee, melanzane con pomodori, want het was Italiaanse les.
Tijdens het eten bespraken we, in het Nederlands, de ins en outs van een Aga-fornuis en hoe je de lekkerste tomatensaus kunt krijgen (door heel langzaam te laten garen in een Aga). Het bespreken van het beste recept voor tomatensaus is trouwens een heel Italiaanse gewoonte.
Een paar jaar geleden werden mijn vriend en ik op een Corsicaanse camping elke ochtend wakker van onze Italiaanse buren die op ruzieachtige toon het menu van de komende dag bespraken en wat je nodig had voor de allerlekkerste tomatensaus en hoe je die dan moest maken. De Italianen in kwestie hadden een uitgebreid kampement met een complete keukenhoek inclusief fornuis en spoelbak. Halverwege de onenigheid vertrok de bink van de groep, een vitale vijftiger, in zijn turkooizen zwembroek met zijn turkooizen toilettas op de fiets naar de washokken. Daarna gingen ze allemaal boodschappen doen.
In de les was het tijd voor conversatie. Wat heb je vandaag gedaan, hoe laat, van wanneer tot wanneer? Het lijkt simpel, maar er gaat altijd wel iets fout bij een werkwoordsvervoeging of woordgeslacht. Gelukkig had Monique een nieuwe telefoon gekocht ( Monique ha comprato un nuovo telefonino). Opgelucht schakelden we over op het Nederlands om de voor- en nadelen van iPhones en Samsung Galaxy’s te bespreken. En de apps. Voor de geïnteresseerden, een app is in het Italiaans una app.
Aan het eind van de les hadden we alleen het huiswerk nagekeken.
‘Volgende week krijgen jullie een Spartaanse les’, sprak de lerares dreigend, ‘En we gaan niet eten!’
‘Ik denk dat ik dan maar meteen overstap op een cursus Duits’, zei iemand uit de groep.
‘Dan maak ik Sauerkraut’, riep een ander.
Toch blijft het fijn, een nieuwe taal bestuderen. Het is geruststellend om te ontdekken dat er altijd een onderwerp is en een gezegde. Het is fijn om te leren hoe je moet zeggen dat je wilt eten en een goed restaurant zoekt (sto cercando un buon ristorante). Of dat je op de markt tomaten wilt kopen voor een hele lekkere saus.

Hinke Vissia ©, maart 2011                                                                         Back to top

 

 

Parachutemoord

Sinds een tijdje hebben we weer een bijzondere moord met een intrigerende naam: de parachutemoord.  Wil zo’n moord echt blijven boeien, dan moeten er wat losse eindjes aan zitten zodat je er met allerlei mensen lekker oeverloos over kunt speculeren.
Zo vraag ik mij bij de veroordeelde Els C. uit België een paar dingen af. Bijvoorbeeld waarom ze per se een relatie wilde met een man die al een vriendin had. Nog opmerkelijker is de wetenschap dat ze de avond voor de fatale parachutesprong in hetzelfde appartement verbleef als haar vriend, voor wie ze dus tweede keus was, en diens andere vriendin. Op de website van een gewone krant, geen roddelblad, las ik dat ze gek werd van jaloezie door de ‘liefdesgeluiden’ uit de slaapkamer. Daarom besloot ze de parachute van haar rivale te saboteren. Els. C. deed dus waar de meeste bedrogen vrouwen in hun jaloezie alleen over fantaseren.
Er bij blijven terwijl de man die jij wilt met een andere vrouw in bed bezig is, lijkt mij een zinloze vorm van zelfkwelling. In de media lost men dit op door in zo’n geval te spreken van een driehoeksrelatie, liefst in combinatie met het woord ‘ingewikkelde’. Een driehoeksrelatie is  een verhouding waarbij twee mensen lijden en eentje profiteert. Die ene is meestal de man, de overige twee zijn domme vrouwen.
Hoe dan ook zou ik in geval van een ménage à trois voor een iets minder riskante hobby kiezen. Misschien nordic walking. Al heb je dan stokken.
Nu heeft een zogeheten assisenjury Els schuldig bevonden en haar veroordeeld tot dertig jaar. Aan parachutespringen zal ze dus wel niet meer toekomen. Iets anders is dat er verder weinig bewijs gevonden is, behalve dat ze een motief had en gelegenheid om een paar cruciale touwen door te snijden. Het lijkt me trouwens ook best verstandig om je parachute voor elke sprong even grondig te controleren. Als je toch weet dat er een concurrente in de buurt is.
Misschien gaat Peter R. de Vries nog eens uitzoeken hoe het echt zit. Hoewel ik me dan door een eindeloze uitzending moet heen worstelen, vol cliffhangers en reeksen commercials, weet ik zeker dat ik het ervoor over heb. Maar dan wil ik wel graag de onderste steen boven bij deze intrigerende zaak,  inclusief analyses van de persoonlijkheidsstoornissen van alle betrokkenen.
En dan heb ik meteen nog een suggestie voor Peter R:   de balpenmoord uit de jaren negentig onderzocht met de kennis van nu. Naar de vraag of het technisch mogelijk is dat een vrouw struikelt en daarbij een balpen precies in haar oog en daarna in haar hersenen krijgt. En wel zo dat die pen van buiten niet meer zichtbaar is. Of dat het schrijfgerei  er met een kruisboog in is geschoten. En waarom het eigenlijk een balpen was. Want al die zaken houden mij al een jaar of vijftien bezig.

Hinke Vissia ©, november 2010                                                                       Back to top

 

Seconds from disaster

De leukste plek van een rampenfilm is het crisiscentrum. Het kan best zijn dat de hele wereld brandt, er overal mensen vluchtend, hamsterend en plunderend proberen te voorkomen dat ze van de aarde afvallen, maar in het crisiscentrum zijn ze gewoon aan het werk. Ook hebben ze er gewoon elektriciteit en koffie en heel veel geavanceerde apparatuur om de catastrofe mee te monitoren.
De ramp tekent zich intussen steeds scherper af op enorme schermen die moeiteloos switchen tussen alarmerende grafieken en het serieuze hoofd van de minister-president die nu, à la minute het verschil moet maken met De Juiste Beslissing.
Gelukkig zijn er wat deskundigen die hem kunnen adviseren. Er is bijvoorbeeld een nerdy jongetje dat uitlegt hoe bijzondere microgolven het magnetisch veld van de aarde platleggen.  Midden in zijn uitleg klinkt een andere stem fatalistisch: ‘The whole west coast is out.’ Opeens beseft iedereen dat het allemaal nog erger is dan ze dachten en dat mr. president een beetje moet opschieten met beslissen.
De ramp speelt zich uiteraard af in Amerika, waarschijnlijk omdat Europese acteurs niet zonder in lachen uit te barsten dingen kunnen zeggen als:’I need those prime data now!’ en:’ You’re R is too small. We have to use wave interference!’.  Alles uiteraard met de verbeten expressie van mensen die de wereld aan het redden zijn.
Op dit punt schakelen we even over naar de het woelige toneel van de catastrofe. Iemand van het crisisteam is namelijk toch de klos en zit in de buitendienst. Hij moet daar met gevaar voor eigen leven een Heel Belangrijk Ding doen dat echt niet kan wachten. Ergens in het veld moet een knop worden omgezet zodat de microgolven weer de goede kant op kunnen stromen.
We weten allemaal dat dit hem gaat lukken, maar waarom kost het elke keer zo idioot veel moeite en duurt het tot vijf minuten voor het einde van de film? Waarom komt er altijd een moment dat hij zijn mobiele telefoon kwijtraakt of op een andere manier contact verliest met het crisiscentrum? Hebben ze dan niks geleerd van al die andere rampenfilms?
De waarheid is dat ik moet blijven kijken terwijl ik het ook zonde vind van mijn tijd, die ik beter kan besteden aan een goed boek, Italiaanse woordjes leren of een documentaire die echt ergens over gaat.
Maar zoals dat gaat duurt het tot vijf minuten na het einde van de film voor ik de belangrijke knop gevonden heb die mijn wereld deze avond kan redden. De knop van de tv.

Hinke Vissia ©, november 2010                                                                       Back to top

 

Breedbeeld

Omdat bij onze oude tv het geluid af en toe begon uit te vallen en op andere momenten het beeld, reden we op zaterdagmiddag naar Correct.  De vraag is waarom we eigenlijk überhaupt een tv wilden. Er is toch bijna niks en ik kijk bijna nooit. Maar ja, met zo´n mooie grote platte breedbeeld kunnen we ook heel goed naar arthousefilms kijken en dat is in onze kringen best wel oké.
Stiekem verheug ik me ook op het moment dat Sterretje, Sniper, Bibi en Barbie levensgroot en vooral driedimensionaal Haags vloekend bij mij de kamer binnenstappen. O, o, Cherso is een fijn programma, gewoon om te lachen en me ondertussen heel superieur, ontwikkeld en beschaafd te voelen. Daarvoor is het denk ik ook gemaakt. Mensen die de plaats waar ze op vakantie zijn niet op de kaart kunnen aanwijzen. Mensen die trots zijn op hun veterstrikdiploma. Daarbij steekt iedereen gunstig af. Ook iedereen die ruftend op de bank hangt met een hand in een zak chips en een vinger in zijn neus.
Deze week stond de vakantievilla van de Haagse jongeren in het teken van de poolparty. Het moest iets worden met veel drank, veel meisjes en o ja, een zwembad. De twee jongens met het grootste gat in hun hand gingen even voor vijfhonderd euro drank kopen. De meisjes trokken een van hun setjes aan, met veel roze en bloot.
 Ik verheugde me heel erg op de poolparty, op liederlijke taferelen met ruzie en kots rond een zwembad waarin op het laatst allerlei mensen en dingen zouden drijven. En dat dan een van de meisjes zou verzuchten:’Tering, wat een tyfuszooi.’
De telefoon ging. Niet in de villa, maar bij mij thuis. Het was mijn moeder. We praatten even.
‘Ik ben eigenlijk iets belangrijks aan het doen’, zei ik na een paar minuten,’Ik kijk naar O, o Cherso.’
‘Naar wat?’
Ik legde het concept uit. Ze kende het programma niet. Mijn ouders zijn de laatste twee mensen in Nederland die geen commerciële televisie ontvangen. Ze hebben een schotel, kijken altijd naar Arte en verder houdt mijn vader zijn Portugees bij met Portugese programma’s over landbouw.
Gelukkig is mijn moeder iets minder streng in de leer en begreep ze dat ik wilde ophangen en dat ze niet, als mijn vader, nog even moest beginnen over de vreselijke troep op tv, de teloorgang van cultuur en beschaving en de schurkenregering vol incapabele mensen die we nu weer kregen.
Ik had een stukje gemist, maar niet veel, want de poolparty kwam niet echt van de grond. Zodat ze allemaal een beetje rond het zwembad hingen, met ‘drie en een halve man en een paardenkop’ en ‘helemaal vertiefd’ waren.  Gelukkig kon ik nog wel even Haags leren schelden met: krijg jij lekker de touwtyfus, en: de tyfus, zeg! Vooral dat laatste zinnetje sprak mij aan. Het is multifunctioneel en je kunt het achter elke zin plakken. Taalkundig bekeken was het dus ook een zeer geslaagde avond.

 

Hinke Vissia ©, november 2010                                                                       Back to top

 

Chiuso per ferie

Wie denkt dat er in Milaan altijd wel wat te beleven valt, is er nog nooit in augustus geweest. Er zijn dan alleen toeristen, duiven, illegale handelaren, muggen en wat sukkels die gewoon door moeten werken, zoals de politie.
Vanaf het balkon van het appartement van Tim hadden we goed zicht op de politiewagen die geparkeerd stond naast een kiosk vlak voor het appartementencomplex aan de Piazza Repubblica. Op het dak stond in het wit het getal 327. Er zaten twee agenten in. Af en toe stapte er een uit om te bellen of te roken. Na een tijdje kwam er een tweede politiewagen bij. Er werd wat gewapperd met papieren, waarna de 327 wegreed en de 058 diens positie overnam.
´Dat is voor de consul van Brazilië´, legde Tim uit, ´Die woont hier en heeft bewaking. Maar hij is nu trouwens op vakantie.´
Ik vroeg me af hoe het voelde om de hele dag in Milaan op de stoep te staan van een consul die op vakantie is, in een warme auto, terwijl iedereen die je kent ook op vakantie is en er vanaf een balkon naar je gestaard wordt door mensen die lachend cocktails drinken.
We gingen wat eten in een van Tims vaste restaurantjes. Onderweg zagen we veel zaken met neergelaten rolgordijnen en briefjes met de tekst: chiuso per ferie, wegens vakantie gesloten. Veel cafés, tabacchi en restaurants waren zelfs de hele maand dicht. Maar iedereen was zo sympathiek de gentile clientela daarvan met een briefje te informeren. Soms hadden ze er echt werk van gemaakt en nog een plaatje van een strandstoel of een zonnetje toegevoegd.
Toen we weer terugkwamen stond de 058 er nog steeds. Ik wilde glimlachen of buona sera zeggen, maar iets hield me tegen. Het waren toch carabinieri.
Boven zagen we dat er in de bosjes, schuin achter de politiewagen twee legergroene jeeps bij waren gekomen en nog een politieauto. De bemanning stond in een kluitje naast de auto’s met elkaar te praten. Dat hielden ze een tijdje vol. Daarna reden ze allemaal langzaam weg. De agenten uit de 058 waren blijven zitten en niet aanwezig geweest bij het overleg.
’s Ochtends ging ik met een kopje koffie naar het balkon om over het plein te staren en vooral om te zien welke auto er nu stond. Het was de 007. Ik deed mijn hand omhoog om te zwaaien en Buon giorno, James Bond te roepen, maar iets hield me tegen. Het waren toch carabinieri. Ik liet mijn hand zakken en krabde aan een muggenbult op mijn kuit.

Hinke Vissia ©, november 2010                                                                       Back to top

 

Het mysterie van het verdwenen saldo

Met de invoering van de OV-chipkaart kwam er voor mij een einde aan een lange en lucratieve periode van grijs rijden waarbij ik maar één keer gesnapt ben. Ik werd in de loop der tijd wel steeds zenuwachtiger van de toenemende hordes controleurs. Op het laatst was ik er in getraind om het rood-blauwe uniform van de RET in een flits vanuit een ooghoek te herkennen en dan heel snel uit te stappen of flauw te vallen. De keer dat het toch mis ging, handelde de RET dat efficiënt af. Het hele proces van controle, constateren van een onrechtmatigheid, uitstappen en de boete ter plekke voldoen verliep buitengewoon soepel. Op het perron stond een RET-medewerker klaar met een mobiel pinautomaatje en naast hem een vriend van de politie. Het was een gedenkwaardig moment, want het was de eerste keer in mijn hele leven dat ik een boete kreeg. De metro bleef gewoon wachten tot alle handelingen voltooid waren en de beboete reizigers hun reis konden hervatten. Met de OV-chipkaart is niet te sjoemelen of je moet inbreken in computersystemen en dat vind ik niet meer horen bij recreatief zwart rijden. Dus werd ik een brave reiziger met een chipkaart. Er was een uitgebreide campagne om iedereen te drillen zodat we: nooit zouden vergeten in- en uit te checken, op tijd ons saldo zouden opwaarderen, niet illegaal met zijn tweeën door een poortje zouden glippen en ook niet boos tegen de poortjes zouden trappen als die per ongeluk hard tegen ons hoofd dicht zouden klappen. De controleurs kregen allemaal langdurig verlof. Deze week was er opeens zomaar een euro of vier van mijn saldo spoorloos. Op dinsdag had ik mijn saldo opgewaardeerd tot een totaal van 12,09. Op donderdag twee ritjes gemaakt die bij elkaar niet meer dan 3 euro waard waren. Op vrijdag nog een ritje, waarna het resterende saldo opeens rond de vier euro lag. Bij de informatiebalie gaf de computer aan dat er niet was uitgecheckt tijdens een busrit van Connexion. Ik had die dag inderdaad met de bus gereisd, in Utrecht, op weg naar een vergadering. Maar die rit had ik, for old times sake, nog gewoon met een strippenkaart betaald. De OV-chipkaart zat in mijn jaszak. Langs het poortje lopen was voldoende om in te checken, kennelijk niet om uit te checken. Ik had de rit meer dan dubbel betaald. En als ik het geld terugwil, moet ik een lang en ingewikkeld formulier invullen en opsturen en hopen dat men tot restitutie overgaat. Maar de rente over dat geld en over al de bedragen die je weken van tevoren op pasjes moet parkeren voor het geval je eens spontaan op reis wilt, die rente, daar hoor je nooit iemand over.

Hinke Vissia ©, juli 2010                                                                       Back to top

 

 

Vliegveld Catania

Op de plee in de vertrekhal van vliegveld Catania sta ik me te verbazen over het ontwerp van de bril. Het is wel gewoon een bril qua vorm, maar dan in opklapuitvoering. Het hele opklapconcept is volgens mij al jaren overschat, maar op Sicilië zien ze dat kennelijk anders. De vraag is nu: hoe kan ik als persoon met smetvrees de volgende dingen voor elkaar krijgen: de wc-bril omlaag klappen zonder dat hij terugklapt, de bril bespuiten met desinfecterende spray, de spray uitwrijven met een wc-papiertje, mijn broek naar beneden doen en gaan zitten?
Heeft de maker van deze bril gedacht: we maken er een opklapbril van zodat mensen die met veel kracht naar beneden moeten duwen, met hun ene hand, en vasthouden, anders slaat hij in hun gezicht terug? Terwijl ze ondertussen met de andere hand hun broek naar beneden trekken? En dat doen we om het de mensen lekker gemakkelijk te maken?
Of dachten ze: dit maakt gemakkelijk schoon? Niemand neemt de moeite de bril naar beneden te doen en zo komt daar geen poep of pies op en dan zijn de schoonmakers sneller klaar. Als dit nou een mannenwc was, dan kon ik er wat mee. Mannen plassen staand en hebben geen bril nodig. En poepen doen mannen sowieso niet. Nou ja, soms, maar dan thuis met de deur open.
Dit is geen mannenplee. Dus het enige wat ik kan bedenken is dat er psychologen betrokken zijn geweest die een bijdrage wilden leveren aan het grote smetvreesprobleem van reizigers van en naar Catania. Nou, dat is dan gelukt, want ik slaag er wel in de wc met een voet naar beneden te duwen en mijn billen te ontbloten, maar dan raak ik vast. De wc-spray komt in mijn gezicht terecht. Met schrijnende ogen ga ik zitten, waar ik half naast de pot pis.
Het enige wat ik nu nog kan doen is mijn handen heel goed wassen. Maar met de kraan is ook iets raars. Er zit een sensor in die het niet doet.
Dit is het moment waarop de psycholoog zegt: ‘ Laat het maar gebeuren.’
En:’ Zie je wel dat er niks aan de hand is als je je handen niet wast?’
Maar ik wil gewoon  de bacteriën wegspoelen die aan de hand zijn en anders gebeurt er wel wat, dan raak ik in paniek en als ik nou gewoon op zijn minst mijn handen kan wassen in deze kloteplee!
Twee kranen verder ontdek ik dat ik voor wat water mijn handen vlak voor de sensor heen en weer moet wapperen. Zodat ik in ieder geval met schone handen de vertrekhal weer betreed. En met schone handen in mijn ogen wrijf.
‘Heb je gehuild?’, vraagt mijn vriend.
‘Nee, geplast’, snuf ik.

Hinke Vissia ©, juli 2010                 Back to top

 

 

Cannoli

Scène uit de meesterlijke maffiaserie The Sopranos: Tony staat in de enorme keuken in zijn enorme villa. Na een dag vol routineklussen, zoals even eigenhandig een lastige maffiamedewerker omleggen en vergaderen in het kantoortje achter in de Badabing, heeft hij natuurlijk honger. Dan zegt hij de intrigerende woorden: ‘Are there any cannoli left?’
In het begin dacht ik dat het een soort pasta was. Maar ik wist het niet zeker en het bleef een kwellende kwestie, net zoals de vraag of de FBI Tony uiteindelijk klein zou krijgen. Tot het eind van de serie bleef het punt van de cannoli onbeantwoord om onverwacht zijn ontknoping te naderen tijdens een vakantie op Sicilië. Natuurlijk, Sicilië, daar moet je heen om iets van de maffia te begrijpen, al is het maar op eetgebied.
Het reisboekje dat ik vooral gekocht had vanwege de handige kaart meldde in het hoofdstukje ‘Handig om te weten’ op paniekerige toon:’ Roept u het m-woord vooral niet hard in het rond in dat charmante eettentje in downtown Palermo en eigenlijk ook nergens anders. De lokale bevolking zal u dat niet in dank afnemen. Ook niet noemen: omerta, Borsalino, Falcone. De laatste twee alleen als het volstrekt duidelijk is dat u op het vliegveld van Palermo doelt.’
Bij dit soort waarschuwingen ben ik altijd bang dat ik de verboden woorden juist wel ga zeggen, maar daarvoor bracht Tony (wat mis ik hem toch) uitkomst. Had ik ergens een maffia-achtige associatie, dan zei ik gewoon tegen mijn vriend:’Vind je ook niet dat die meneer erg doet denken aan een collega van onze held uit de favoriete HBO-serie?’ Daarop bestelden we dan heel onopvallend twee cappuccino, als domme toeristen die niet weten dat dit na elf uur ’s ochtends echt niet kan.
In het boekje las ik ook dat je naar de Niny-bar moest om echte lekkere cannoli te proeven. De Niny-bar was een bakker annex café. De Niny-bar zat toevallig precies in het kustplaatsje waar wij onze eerste drie nachten doorbrachten omdat het in de buurt van de Etna was. De Niny-bar zat zo dichtbij dat ik niet meer te houden was en mijn vriend kon overtuigen met de woorden: ‘Dat at Tony ook altijd.’
Er was een vitrine vol zoete dingen in soorten en maten en ja, daar lagen nog net twee cannoli van fors formaat: deegrolletjes waren het, gevuld met ricotta die aan het ene uiteinde bestrooid was met cacao en aan de andere zijde bedekt met stukjes noot. Ik begreep meteen waarom Tony daar behoefte aan had aan het einde van een zware dag. Ik begreep meteen dat ik die laatste cannoli moest bestellen. Ik bestelde haastig due canneloni. De barman lachte charmant en verbeterde me: cannoli!
Drie dagen later hoorden we aan de westkust dat het echt niet kon dat wij in de Niny-bar de lekkerste cannoli van Sicilië hadden gegeten. De lekkerste cannoli van Sicilië, zei Allessandra, komen uit Dattilo. Ze zijn zo lekker omdat men daar de ricotta pas in het deeghoorntje schept op het moment dat je de bestelling doet. De ricotta is dan heel vers. Elders stoppen ze de ricotta er van tevoren in en om die gemakzucht te maskeren, doen ze er extra veel suiker in.
Dattilo lag niet meer op de route en er zat daarom maar een ding op. Meteen weer een ticket naar Sicilië boeken om in Dattilo de enige echte cannoli te proeven en bij mezelf te denken: ’Ik ga het m-woord echt niet per ongeluk zeggen, echt niet.’

Hinke Vissia ©, juli 2010                                                                                   Back to top

 

 

Sister bonding

In het kader van sister bonding ontmoette ik mijn zusje op Utrecht centraal bij ´de oude Bruna´ voor een middagje shoppen. Suf met elkaar winkels in en uitlopen is een laagdrempelige manier om het contact met familie aan te halen.
Zusje wist ook al wat ze wilde doen: ‘Gladiatorshoes bij de Bijenkorf, de must have van dit voorjaar.’ Ik fronste. Ik ben niet zo dol op dat dwingende marketingjargon. Must have is natuurlijk wel een briljante uitvinding. Als begrip. Zodra je ‘must have’ hoort, denk je: ‘Jezus, wat zeg je? Wat zijn gladiatorshoes en hoe kan ik het gemist hebben, dat dat deze zomer de must haves zijn. Ik heb geen idee wat het zijn, gladiatorshoes, maar als het must haves zijn, laten we dan in godsnaam in gestrekte draf naar de Bijenkorf, op ons hopeloos gedateerde schoeisel, en zonder dralen gladiatorshoes aanschaffen. Dan hebben we in ieder geval de must haves al binnen en is onze lente nog niet mislukt voor de eerste terrasdag.’
Ik rende achter zusje aan, dwars door Hoog Catharijne, wat zo lang het nog bestaat een heel geschikte plek is om hard doorheen te jakkeren.
Bij de schoenenafdeling van de Bijenkorf stonden ze, de Romeinenschoenen, in soorten en maten. Van platte sandaal tot hoge hak, inclusief de ‘fuck me hoogte’ (jargon voor zulke idiote hakken dat je ze alleen liggend kunt dragen).
Ik ging als de oudere zus braaf op een bankje zitten met de tassen terwijl zusje de bandjes om haar enkels bevestigde en een paar rondjes ging proeflopen op haar lange, elegante stelten, die extra goed uitkwamen in de zwarte glimlegging. Ik piekerde ondertussen over state of the art fashion (het woord mode is echt passé) en wat er voor mij mogelijkerwijs in de lentecollectie te halen zou kunnen zijn.
De hele winter heb ik rondgelopen in katoenen leggings, overhangen met lagen andere textiel, bij voorkeur allemaal rekbaar. In huis droeg ik daar dan ‘homies’ onder, een heel comfortabel type sloffen. Buiten de deur verving ik die door stevige warme laarzen. Niet elegant, wel warm. En sinds de sneeuw gold bovendien het ijzersterke excuus dat je toch niet wilde uitglijden en dat stevige schoenen met lage hakken ‘dus’ konden. Qua kleding mag het voor mij best nog even flink vriezen, maar mijn zusje is met vooruitziende blik al bij lente en zomer.
Met de schoenen in de tas belandden we bij het kledingsegment. ´Boyfriend jeans worden het ook helemaal´, zei zusje, en ze liet mij zo’n spijkerbroek zien. Net wat ik al dacht, een model waar voor de vrouw met ronde vormen niet veel mee te beginnen is. Zelfs niet als je er een tent overheen hangt.
'Tja,’ zei zusje peinzend, terwijl ze mijn in vormeloze, verviltende winterjas gestoken postuur op zich liet inwerken, ‘misschien zijn boyfriend jeans toch wel wat voor jou. Skinny jeans, daar hoef jij natuurlijk helemaal niet aan te beginnen.’
Volgde een passessie waarbij zusje het ene na het andere schattige jurkje aantrok en ik op de goede momenten ‘oh’, ah’ en ‘deze staat nog leuker’ riep. Vlak voor de oude Bruna namen we afscheid. ‘Maar nu heb jij helemaal niks gekocht’, pruillipte zusje voor de vorm.
Ik had nog een minuut of zeven voor mijn trein vertrok, precies genoeg tijd om mezelf te verwennen met een koffie en brownie, want het is nu toch al te laat voor mij, voor deze lente. Dus ik zet gewoon in op voorjaar 2011 in de hoop dat de peervorm dan weer helemaal must have is.

Hinke Vissia ©, april 2010                                                                                   Back to top

 

 

Koffiepunten

Omdat we al honderd jaar verschillende plastic zakjes vol DE-spaarpunten hadden liggen van mijn schoonmoeder, fietste ik naar de DE-geschenkenwinkel. Onderweg zeurde de non-conformist in mij: ‘Je gaat toch zeker geen spaarpunten inwisselen in een geschenkenwinkel? Hoe truttig kun je zijn?’ De krenterige trut bracht daar tegenin dat niemand het hoefde te weten. Dat het bovendien ging om een echte Bialetti Moka Express, made in Italy, waarmee je heel eenvoudig de lekkerste koffie kunt zetten. En dat voor maar 3990 punten!
De krenterige trut had gewonnen en ik parkeerde mijn fiets bij een lantarenpaal. De winkel ging net open. Er kwamen al wat andere heel burgerlijke puntenspaarders aanlopen om hun slag te slaan. Een beetje zenuwachtig ging ik het DE-paleis binnen. Misschien had ik de punten verkeerd geteld of waren ze over de datum. Misschien zou ik dan wel iets heel ergs moeten doen: bijbetalen.
Iedereen die een beetje bekend is met de wereld van het punten sparen weet dat bijbetalen uit den boze is. Een no go area. Wie bijbetaalt diskwalificeert zich definitief en verpest het voor de echte spaarders die gewoon net zolang koffie en thee drinken en punten uitknippen tot ze de 369.455 punten bij elkaar hebben voor een espressomachine inclusief melkopschuimer.
Ik was binnen in de DE-winkel en besloot eerst maar rond te kijken voor ik de oversteek zou maken naar de strenge puntenteller die bij de kassa bezig was met belangrijke voorbereidingen. Er bleek een hippe koffiecorner te zijn. Je kon daar trouwens niet met punten betalen. En ik hoefde geen koffie. Die drink ik altijd bij de Hema zodat de non-conformist daar lekker gewone mensen kan observeren.
Verder stonden er een stuk of wat ingewikkelde espressomachines waarvoor je een grotere keuken moet nemen. En heel veel servies. Van ingetogen effen bruin of wit tot bonte kopjes met grote tulpen. Er was ook een soort stedenreeks. Van elke stad met een DE-winkel was een kopje met in grote rode letters de naam van de stad. Rotterdam was er ook bij. Dat was dan kennelijk leuk. Alle kopjes hadden trouwens een groot en niet te missen DE-logo.
Ik stond nu bij de kassa en daarna ging alles eigenlijk vanzelf. Ik zei de woorden Bialetti, punten en 3990. De puntenman stopte de punten in een envelop zonder te tellen en ik kreeg mijn koffiepot. Hij is heel handig, je zet hem op het gas met water en koffie en dan gaat het al snel lekker ruiken en heb je koffie. Hij neemt weinig ruimte in. En er staat lekker geen DE-logo op, want dat heeft de non-conformist natuurlijk meteen gecontroleerd.


Hinke Vissia ©, april 2010                                                                                 Back to top

 

Raar cadeautje

Het raarste cadeautje dat ik ooit gekregen heb, ontving ik vorig jaar met Sinterklaas. Het ligt sinds die tijd op mijn bureau in een bakje. Het rommelbakje met heel veel handige dingen die ik meestal niet kan vinden omdat er andere handige dingen op liggen.
Ik schaam mij een beetje voor dit ding en het is ook een beetje eng. Het is een brievenopener, een antiek exemplaar, want hij komt van mijn grootvader of overgrootvader. Het handvat bestaat uit een opgezet geitenpootje, inclusief geitenhaar en –hoefje. Het is dus een dood geitenpootje.

Aangezien het uit de familie komt is het zeker dat ik dit dode geitenpootje nooit kan weggooien. Maar elke keer als ik er naar kijk, zie ik het geitje voor me dat er ooit aan vastzat, huppelend in een groene wei. Het kan trouwens best een Duits geitje geweest zijn, want het pootje komt uit mijn moeders Oost-Duitse familie. In dat geval huppelde  geitjelief waarschijnlijk ergens in de Thuringse wouden of velden rond, nietsvermoedend en zorgeloos.

Omdat ik af en toe toch post krijg heb ik het pootje al een paar keer gebruikt. Hij doet het goed. Het mes is geschikt voor grote enveloppen en behoorlijk scherp. Er zit een leren hoesje om zodat je je er niet per ongeluk aan kunt snijden. Aan alles is gedacht. Maar ja, dat witte, nu wat gelige haar, het spleethoefje… Hoe moet ik dat uitleggen aan mijn omgeving? Dat ik mijn rekeningen open met een stuk overleden geit? Of misschien was het wel een bok.


Hinke Vissia ©, april 2010                                                                                Back to top

 

Amsterdam

In Amsterdam verstaan ze in de horeca nog de kunst van het vakkundig negeren van klanten. Het kan niet anders of ze hebben er speciale scholen voor of ze gaan met zijn allen eens per jaar op trainingskamp, ergens in Oost-Duitsland. Daar lopen heel veel werkloze horecamedewerkers rond, gespecialiseerd in wegkijken en druk bezig zijn met niets, terwijl de klant zich kleiner en kleiner gaat voelen om al snel stilletjes af te druipen.
Het was druk in Paradiso, op vrijdagavond, bij de garderobe. Ik stond in de verkeerde rij. Die was wel kort, maar omdat het de verkeerde rij was liet de garderobejongen ons extra lang wachten. Terwijl hij jassen aanpakte van de mensen uit de goede rij, die weghing en bonnetjes uitdeelde, keek hij af en toe even vuil mijn kant uit. Ik had het aardig gevonden als men een bordje had opgehangen met ‘verkeerde rij’ erop. Dan had ik tenminste geweten waar ik aan begon. Maar bordjes ophangen is service en daar doen ze niet aan in Amsterdam.
Ik stond met gekruiste benen te wachten, portemonnee klaar. Want in Amsterdam moet je overal voor betalen, dat wist ik gelukkig al. Mijn gezelschap was al beneden aan het warmdraaien voor A place to bury strangers, want zo heette de eerste band. A place to bury Amsterdammers had mij toepasselijker geleken.
Dat warmdraaien, moet je trouwens niet te licht opvatten. Het is een heel belangrijk ritueel voor ervaren concertgangers. Het gaat zo: je begint met een beetje lummelen bij de tafel waar cd’s, shirts en leuke gadgets te koop liggen. Als je mazzel hebt staat een van de bandleden zelf achter de tafel en kun je alvast pre-gig socializen. Je bekijkt de koopwaar en laat dan heel terloops vallen dat je alles al hebt, in ieder geval de cd’s. Daarna zeg  je dat je ze trouwens ook al hebt zien optreden in Berlijn, Barcelona, Brussel en zes festivals in Europa. Tot slot wens je ze succes. Of je geeft ze een joint voor ‘after the show’. Tegen die tijd ben je al bijna met ze bevriend.
Ik miste dit allemaal, in de rij voor de jassen, terwijl ik ook nog moest plassen en probeerde mijn mondhoeken omhoog te denken. Als ik eenmaal chagrijnig ga kijken, kan ik het namelijk helemaal vergeten dat mijn jas wordt opgehangen voor sluitingstijd. Ik wilde me niet laten kennen en gewoon heel vrolijk blijven wachten. Helaas had ik geen joint bij me om als omkoopwaar in te zetten.
Na een kwartier kwam er versterking, in de vorm van een tweede garderobejongen. De eerste garderobejongen kotste zijn opgehoopte ongenoegen eruit: ‘Waar was je, het is druk!’.
Oké, dacht ik, actie. Als de tweede garderobejongen nou verder gaat met de verkeerde rij is dat opeens gewoon ook een goede rij geworden.
En dat gebeurde ook, maar niet meteen. De tweede garderobejongen moest eerst een ingewikkeld verhaal vertellen, zijn eigen jas ophangen, een biertje openen met zijn tanden, een paar slokken nemen, het biertje wegzetten, het biertje toch maar ergens anders wegzetten. Toen ging hem kennelijk een licht op. O ja, hij was garderobejongen. Hij pakte mijn jas, mijn geld en gaf me een bonnetje. Ik rende naar de zaal. Het concert was al lang bezig. Dat had ik weer: geholpen worden door iemand die net terug was van trainingskamp.
‘Hee’, zei mijn vriend toen ik hem in de grote zaal gevonden had, ‘waar was je nou? Ik sta op de gastenlijst van APTBS, morgen in Botanique in Brussel. Jammer dat jij er niet ook bij was.’

Hinke Vissia ©, april 2010                                                                                 Back to top

 

Voetbal

Om relatietechnische redenen begeef ik mij de laatste jaren af en toe in de wereld van het voetbal. Het is een sluipend proces dat hoort bij iemand zo leuk vinden dat je denkt dat alles wat hij doet automatisch ook leuk is. Het komt nu dus voor dat ik hem een sms´je stuur met: Atteveld weg bij Den Haag, of: Zwinkels heeft ernstige blessure.
Soms hoor ik mezelf dingen zeggen als: ‘Laten we samen in bed Champions League kijken.’ Kijken betekent dan voor mij: lezen in bed en op de goede momenten instemmende of afkeurende geluiden hummen als er iets belangwekkends gebeurt op het veld. Hij is al die tijd hele belangrijke berichtjes aan het uitwisselen met gans het voetbalnetwerk, dat bestaat uit Hagenezen (nooit ADO zeggen, maar FC Den Haag), Feyenoorders en een enkele Spartaan of verdwaalde PSV’er. Mijn liefde gaat zelfs zo ver dat ik het verdraag om in slaap te vallen met op de achtergrond een van de vele programma’s waarin oude mannen ouwehoeren over voetbal. Hij moet wel de liefde van mijn leven zijn, dat ik die dingen allemaal doe en zelfs schattig vind.
Het is trouwens ook grappig om het bijbehorende jargon tot je te laten doordringen. Voor sommige clubs zijn in de FC Den Haag-clan bijnamen in omloop die verbazen omdat ze uit de mond van volwassen mannen komen. Dan zegt vriend bijvoorbeeld tegen bezoekend voetbalmaatje:’ We moeten tegen Fietstas (lees Vitesse) echt punten pakken.’  Voetbalmaatje antwoordt: ‘Tegen Pluskut (lees FC Twente) hebben we weinig kans over twee weken.’
Het kon natuurlijk niet uitblijven: de vraag of ik een keer meewilde naar een echte wedstrijd. Met de verzekering dat het met de hooligans echt meeviel en dat we niet in het Den Haag-vak hoefden te zitten. Zo liet ik me paaien en zat op een koude zondagmiddag in de Kuip. Tussen Feyenoordaanhangers, dus we moesten ons discreet gedragen en niet juichen bij onwaarschijnlijk geachte prestaties van Den Haag.
Rechts achter het doel waren de echte Den Haag-supporters al aan het warmdraaien met groengele vlaggen, sjaals, vuurwerk en luid gezang. In het tegenovergelegen vak speelden Feyenoorders handbal met een steeds slapper wordende opblaasooievaar en daarbij een spandoek met de tekst: We will kill your stork. Het was kortom de gebruikelijke voetbalfolklore.
Elke keer als Feyenoord in de buurt van het doel kwam, riep een vrouw naast me heel irritant: ’En boem!’ Vlak voor het einde was het 2-1 voor Feyenoord en het zag er naar uit dat FC Den Haag weer eens genoegen zou moeten nemen met een nederlaag. De enige hoop was gevestigd op de blessuretijd. ‘En boem’, fluisterde ik toen Den Haag in de 93e minuut gelijk maakte. De vrouw naast me keek not amused. Grijnzend kneep ik in de hand van mijn vriend. En ik besefte: echte liefde beleef je in een aftands stadion waar je twee keer vijfenveertig minuten hebt zitten kleumen en je plas ophouden om te zien dat Den Haag net niet verliest

Hinke Vissia ©, april 2010                                                                                 Back to top

 

Hinke Vissia

 

In die Heimat

(december 2011)

 

Romantisch Berlijn

(december 2011)

 

Konijntjes

(juli 2011)

 

Moderne communicatie

(mei 2011)

 

ADO-NEC op zaterdagavond

(maart 2011)

 

Verbouwing

(maart 2011)

 

Italiaanse les

(maart 2011)

 

Parachutemoord

(november 2010)

 

Seconds from disaster

(november 2010)

 

Breedbeeld

(november 2010)

 

Chiuso per ferie

(september 2010)

 

Het mysterie van het verdwenen saldo

(juli 2010)

 

Vliegveld Catania

(juli 2010)

 

Cannoli

(juli 2010)

 

Sister bonding

(april 2010)

 

Koffiepunten

(april 2010)

 

Raar cadeautje

(april 2010)

 

Amsterdam

(april 2010)