|
Columns Hinke Vissia
In
die Heimat
Waarom
blijven we hier niet gewoon en kopen een flat? Ik zie het
wel zitten, een schattig Ossiflatje zoals waar de hoofdrolspeler
uit ‘Das leben der anderen’ in woont. Het liefst
met authentieke DDR-inrichting (veel nephouten meubels die
eigenlijk van karton zijn). Die flatjes kosten bijna niks
tegenwoordig.
Nemen we er ook een Trabi bij. Zo’n handig miniautootje
dat misschien wel tocht en hapert, maar hij is zo klein
dat je hem bij pech gewoon mee in de metro naar huis kunt
nemen. En verder kun je in Berlijn ook heel goed fietsen,
dat is nu heel hip.
Wat is er nou leuker dan wakker worden van het geluid van
de S-bahn, dan op de fiets naar Prenzlberg voor een lekker
Frühstück met espresso macchiato om bij het ontbijt
te bedenken naar welk museum we deze keer zullen gaan? ’s
Middags gaan we winkelen en kun jij mooi alle cd-winkeltjes
af van recordjunkie.com terwijl ik de nieuwste winkels induik
voor grappige kleren en dingetjes voor in onze flat. Ja,
wel kleine dingetjes, want het is natuurlijk niet zo’n
groot huis als we nu hebben.
Ik voel me bij het idee alleen al opeens heel erg Duits.
Komt natuurlijk door mijn Duitse genen. Je weet, mijn oma
kwam uit Thüringen. Zij was dus ook gewoon een ossi.
Oké, ze is niet gebleven, ze had kennelijk een voorgevoel
en trouwde in de jaren dertig met een Nederlander. Maar
toch, ik heb nog wel iets met de Duitse cultuur. Zo langzamerhand
mag je dat toch wel weer toegeven? Als puber las ik al Goethe,
Schiller, Mann en Böll.
Ik verheug me er nu al op dat ik elke herfst zodra ze in
de winkel liggen, Lebkuchen kan gaan kopen. Ja, je mag ze
eigenlijk pas met Kerst eten, daar is mijn moeder nog heel
streng in, maar die hoeft dat toch niet te weten? Ik stuur
haar en mijn zussen gewoon een flinke doos met die koeken
en dan zijn ze helemaal blij.
De taal is sowieso geen probleem. Dankzij de degelijke lessen
van mevrouw Visser ken ik nog steeds bijna alle voorzetselrijtjes
met bijbehorende naamvallen uit mijn hoofd. Bovendien weet
je dat ik niks liever doe dan weer een talencursus. Naast
Italiaans kan ik er best nog een opfriscursus Duits bij
hebben, hoor.
Ja, je hebt gelijk, ik ben eigenlijk meer een mediterraan
type. Ik houd erg van Italiaans eten en drinken en het landschap,
de zee, het klimaat. Dat heb je niet in Berlijn. Daar heb
je uitlaatgassen en in de winter is het om vier uur ’s
middags al donker. Kun je behoorlijk depressief van worden
en daar heb ik talent voor, ja. Maar daar verzin ik dan
wel iets op.
Wat we er dan gaan doen? Om geld te verdienen bedoel je?
Nou ja, even denken, ten eerste kun je er natuurlijk heel
goedkoop leven. Voor vijftien euro ga je al uit eten bij
de Vietnamees of Thai. En ten tweede, er schiet me nu nog
even niks te binnen, maar dat komt heus wel. Waarom doe
je nou zo moeilijk en praktisch? Laat me nou even, heel
even genieten van mijn eigen Ik-vertrek-momentje!
Hinke
Vissia ©, december
2011
Back to top
Romantisch
Berlijn
Er
was eens een stel dat samen lekker een paar dagen naar Berlijn
ging. Een goede vriend van de man ging heel toevallig ook,
in hetzelfde weekend. Dus hij zou meerijden, lekker makkelijk.
Toen boekte hij voor nog meer gemak ook maar hetzelfde hotel.
De vrouw had even niet opgelet. Nu had ze geen romantisch
weekend met haar vriend, maar ze was opeens het aanhangsel
van twee goede vrienden die lekker een weekendje met de
mannen deden. Er stonden opmerkelijke activiteiten op het
programma, zoals een wedstrijd van FC Union Berlin tegen
Karlsruhe.
‘Ach, wat maakt het ook uit?’, dacht de vrouw.
De zon scheen en het was een mooie gelegenheid om de Ossi-cultuur
eens van dichtbij te bekijken, want FC Union is een Oost-Berlijnse
voetbalclub. Met een stadion op een heel eind rijden van
de Brandenburger Tor, langs veel troosteloze ossiflats.
Onderweg haalden ze nog even twee andere mannen op. Nu zat
de vrouw met vier mannen in een Suzuki Alto op weg naar
voetballen. En dat al op de eerste dag in Berlijn.
In het stadion ‘an der Wuhlheide’ bleken sommige
dingen grappig cultuurbevestigend, zoals de literglazen
bier en de alom tegenwoordige reclame: Eberswalder, richtig
gut die Wurst. Andere dingen waren gewoon voetbalcultureel
bepaald: de clubsjaals om mee te zwaaien bijvoorbeeld, liefst
simultaan en volgens rituele choreografie.
Bij elke speler die werd omgeroepen scandeerde het publiek:
‘Fussbalgott!’ De vrouw dacht: dit is gewoon
religie! Een mooie sluiproute in de DDR-tijd trouwens, in
plaats van bidden in de kerk elke zondag naar het stadion.
Bij de 37e minuut was de overheersende gedachte: leuk zo’n
wedstrijd, maar hij duurt eigenlijk één helft
te lang, vooral omdat je na drie kwartier meestal moet plassen,
ook als je geen bier hebt gedronken. De plee bleek een onverwachte
meevaller: gewoon nette toiletten, inclusief wc-papier,
zeep en handdoekjes. Dat vond de vrouw een pluspunt voor
het Duitse voetbal van de zweite Bundesliga.
FC Union bleek niet zo heel goed te spelen, maar Karlsruhe
was nog slechter zodat het toch 2-0 werd. De sjaals gingen
omhoog. Het publiek hield niet op met zingen en klappen.
De vrouw vond het een beetje merkwaardig om in een Duits
stadion Duitsers heel hard ‘sieg!’ te horen
roepen in combinatie met opgestoken armen. Gelukkig staken
de meeste mensen gewoon braaf twee armen tegelijk omhoog.
Maar het opvallendste was het clublied van Union. Het was
ontroerend en krachtig tegelijk. Een socialistisch strijdlied
met dwarse trekjes van niemand minder dan Nina Hagen. De
vrouw merkte dat ze bijna moest huilen, zo mooi vond ze
het. Maar ze huilde natuurlijk niet echt, ze nam gewoon
nog een stevige slok whisky uit de veldfles en gaf hem door
aan de volgende man. Stiekem overwoog ze een clubsjaal te
kopen, maar alleen vanwege de leuke beer in het logo.
Hinke
Vissia ©, december
2011
Back to top
Konijntjes
Alle
inspanningen van mijn ouders ten spijt, ben ik van plattelandskind
opgegroeid tot stadsmens en dat zal wel altijd zo blijven.
Ik kan een boom onderscheiden van een vogel en een bloem
van een struik, maar veel verder gaat mijn kennis der natuur
niet.
Soms herken ik wel dingen, zoals een plant die ik eerder
heb gezien. Alleen kan ik de naam die er bij hoort niet
onthouden, al zeg je hem honderd keer.
Mijn vader schudt nu zijn hoofd. Hij heeft het met zijn
dochters niet getroffen. Wij tuinieren niet, weten nauwelijks
het verschil tussen een merel en een duif en zijn ook al
geen wiskunde gaan studeren.
Toch betekent dit niet dat ik flora en fauna niet waardeer,
in tegendeel. Ik ben blij met elk stukje loslopende natuur
dat ik tegenkom, midden in de stad. Ook al is het een slapende
poes in de etalage van een galerie. Ook heb ik na vakanties
altijd een paar dagen last van heftige vervreemding. Opeens
zie ik dan hoe lelijk en betonachtig het is in Rotterdam.
Dan verlang ik terug naar Zuid-Frankrijk of Italië.
Naar uitzicht op de bergen, bossen geurende rozemarijn
en lavendel, vleermuizen die om je oren vliegen, avonden
op het terras met het geluid van een kerkuil. Nee, een ransuil.
Nou ja, een soort vogel die oehoe-achtig klinkt. Dat is
toch een uil dan?
(Gek genoeg ben ik ook selectief. Zodra ik thuis bent begint
het idealiseren alweer. Ik denk nou nooit: god, wat mis
ik de vliegende mieren/ horzels/ wespen/ muggen.)
Om te voorkomen dat ik buiten de vakantie om geen enkel
groen blaadje zie, ga ik op de fiets naar mijn werk. Veel
is het niet, maar er zijn onderweg een paar bomen die ik
zou kunnen omhelzen en daar doe ik het voor. Ook krijg ik
zo nog een vaag besef van de seizoenen mee.
Sinds een paar weken is er een nieuwe attractie bij gekomen.
Vlak bij het Marconiplein, in een veldje zonder recreatieve
bestemming, waar het gras nooit gemaaid wordt en ook geen
bankjes staan. Op een dag zag ik daar iets hupsen. Ik remde
en keek nog een keer. In het gras sprongen vijf konijntjes
rond. Drie van onbestemd grijs, twee bruin-zwart. Ik stopte.
Konijntjes! Midden in de ochtendspits met voorbij razende
auto’s! Midden in de stad!
Omdat ik het bijna niet kon geloven maakte ik een paar foto’s.
Ze zijn natuurlijk niet goed gelukt. Er staan een paar vlekjes
op, midden in een lullig strookje gras. Maar als ik ’s avonds
niet kan slapen pak ik mijn telefoon, ga naar de fotogalerij
en vergroot de foto’s net zo lang tot ik duidelijk de lange
oren van de konijntjes zie. Of zouden het toch hazen zijn?o:p>
Hinke
Vissia ©, juli
2011
Back to top
Moderne
communicatie
Het
voordeel van een vaste telefoonlijn is dat je altijd precies
weet wie er belt. Dat is de generatie die niet van vast
naar mobiel wil bellen. Uit gewoonte. Uit zuinigheid. Omdat
ze liever naar een huis bellen dan naar een mens.
Ik: telefoon!
Hij: Jouw ouders.
Ik: Die heb ik gisteren gesproken. Het is vast jouw moeder.
Hij: Geen zin.
Ik (na hijgend de trap oprennen): Te laat.
De meeste telefoontjes naar onze vaste lijn worden dus niet
of slechts na vertraging beantwoord. Soms luister ik naar
de voicemail, waar dan vaak tot mijn schrik berichten op
staan van een week of ouder. Vooral mijn schoonouders willen
ons tot in detail informeren over al hun ziekenhuiscontroles
en uitslagen.
Maar het is hun eigen schuld als de communicatie hierdoor
stroef verloopt. Ze hebben onze mobiele nummers en weten
dat we daar altijd bereikbaar zijn. Je gaat bijna denken
dat ze het leuk vinden hun berichten in te spreken.
Toch hebben mijn ouders zelf wel een mobiele telefoon. Een
kermisexemplaar dat niks gekost heeft. Hij staat altijd
uit en ze bellen er misschien drie keer per jaar mee. Het
is een telefoon voor noodgevallen. Mijn moeder neemt hem
mee als ze ´s avonds alleen onderweg is met de oude Toyota
die ze acht jaar geleden van haar moeder geërfd heeft die
hem al twaalf jaar had.
´Als er iets gebeurt, kan ik je vader bellen en dan komt
hij me redden.´
Ze vindt dat een veilig idee en mijn vader ook. Het is inderdaad
al een keer gebeurd dat hij mocht uitrukken om haar op een
nachtelijk tijdstip van een Betuwse provincieweg te plukken.
Ik vind het ontroerend en schattig dat ze elkaar na vijftig
jaar huwelijk nog steeds willen komen redden. Ze kunnen
dus best met moderne hulpmiddelen omgaan als het maar belangrijk
genoeg is. Hun kinderen bereiken valt daar kennelijk niet
onder.
Hinke
Vissia ©, mei
2011
Back to top
ADO
- NEC op zaterdagavond
Als
je man in het weekend met zijn liefhebberijen bezig is,
sta je als vrouw achter hem. Ook als dat betekent dat je
op zaterdagavond mee moet naar Leidschendam om daar bij
een voetbalvriend met schotelantenne te kijken naar ADO
– NEC.
Mannen die groepsgewijs voetbal kijken kunnen eigenlijk
ook niet veel kwaad bedenk ik terwijl ik ga zitten op de
enorme zwarte bank. Het linkerstuk is gereserveerd voor
de gastheer en zijn gecompliceerde enkelbreuk, die nu al
drie weken in die positie alle mogelijke voetbalwedstrijden
volgt, bij voorkeur op een Arabische zender.
Maar wat is dat? Ondanks de schotelantenne kunnen we om
de een of andere reden helemaal geen ADO-NEC zien via Eredivisie
live. Zijn we daarvoor helemaal naar Leidschendam gereden
om tussen de blowende Hagenezen op een kolossale bank te
zitten?
Twintig minuten later is er met wat gepruts, een laptop
en wat snoertjes op het breedbeeldscherm een klein vierkantje
zichtbaar met voetballende poppetjes. Het staat 2 - 1.
De jongen rechts, met afzakkende joggingbroek, heeft na
wat haaltjes van zijn joint, formaat sigaar, een enorme
vreetkick. Met open mond kijk ik hoe hij in drie minuten
tien chocolaatjes naar binnen propt. Dan staat hij op, komt
terug uit de keuken met een zak stroopwafels en een zak
chips en eet die ook allemaal op.
Gastvrijheid met een groep mannen betekent gewoon zelf naar
de keuken lopen en daar alles pakken waar je zin in hebt.
De mannen drinken bier of goede whisky (Glenmorangie) of
cola met slechte whisky (Jack Daniels).
‘Hé, kankermongool, zet jij die cola effe in de koelkast
terug’, roept de heer des huizes.
Niemand vindt zichzelf een kankermongool. De cola blijft
op tafel staan. Zonder dop.
Met ADO gaat het trouwens goed. Na rust wordt het 3-1, 4-
1, 5 -1.
Het kleine vierkantje op het tv-scherm wordt bovendien plotseling
beeldvullend als de blowende jongen in een helder moment
even een toets indrukt op de laptop.
FC Den Haag is trouwens allang veilig. Angst voor nacompetitie
is onnodig. Dat was vorig jaar wel anders. Maar ja, dat
was voor John van den Brom, voor Bulykin. Dat is gewoon
heel lang geleden. Voordat Ajax en PSV bang werden voor
ADO.
Tijd voor het eindsignaal. Niemand juicht. Het is bijna
normaal geworden dat ADO wint. Met een beetje mazzel gaan
ze ook nog Europees voetbal spelen.
De kankermongool heeft zijn joint op en is uitgegeten. Hij
groet de aanwezigen en vertrekt.
Mooi, dan is er meer ruimte op de bank om tijdens Studio
Sport de gemiste goals te zien, van Immers en Bulykin.
Mensen die nog moeten rijden beginnen in dit stadium water
te drinken. Ik denk verlangend aan een goede film op tv.
In bed kijken. Als tegenwicht tegen het voetbalbankhangen.
Hinke
Vissia ©, maart
2011
Back to top
Verbouwing
De
supermarkt was eindelijk klaar met verbouwen, na tien lange
dagen. Er hingen ballonnen,
er waren hapjes en ik kreeg een plattegrond. Terwijl
ik het nieuwe model boodschappenkar bij de groente door
het poortje duwde, besefte ik dat de plattegrond zinloos
was.
Om mij heen probeerden andere klanten met hun karretje vooruit
te komen, maar tien minuten na de opening was er al een
massaal verkeersinfarct. Zonder ruimte om je plattegrond
uit te vouwen, zonder tijd om stil te staan, want dan zou
niemand meer kunnen bewegen.
In dit soort situaties draai ik meestal meteen om en ga.
Ik houd ervan heel dramatisch een volle kar op een onhandige
plek te laten staan. Dan loop ik weg met de troostende gedachte
dat iemand al die spullen terug moet gaan leggen. Net goed,
want voor mij is het ook heel vervelend om zonder boodschappen
weg te lopen uit een te volle winkel.
Ik kon nu niet weggaan, want ik had een missie. Die bestond
uit het gratis taartje voor alle klanten die 15 euro aan
artikelen bij elkaar wisten te sprokkelen.
Om mij heen vielen mensen supermarktmedewerkers om de hals.
Het leek wel een soort receptie. Met glaasjes sap, ministroopwafels
en ijsjes. Er waren zelfs bloemen.
Ik sloeg een pad in en probeerde het nieuwe winkelconcept
tot me te laten doordringen. Welk marketingplan zat er achter
het verschijnsel dat je in de oude winkel een rondje linksom
moest maken, tegen de klok in dus? En dat dit nu veranderd
is in met de klok mee? Met de klok mee lijkt misschien logischer,
maar er zijn heel veel dingen die je tegen de klok in doet,
zoals tango dansen en de klok terugzetten. Dat gaat al heel
lang goed en dat moet je niet veranderen.
Misschien is de bedoeling
juist dat je in de war raakt, niks meer kunt vinden
en allemaal dingen gaat kopen die je normaal nooit zou nemen.
Dure dingen, omdat de goedkope varianten verstopt zijn op
rare plekken. Als je dan eindelijk toch je lievelingskoekjes
gevonden hebt en heel blij bent dat die niet uit het assortiment
zijn verdwenen, let je bovendien niet op de prijs. Dus denk
je dan niet: 1,28 euro, wat een raar bedrag. Die koekjes
waren toch altijd 1,09?
Toen ik een uur, een bekertje koffie en twee ministroopwafels
later bij de kassa kwam, lag er voor 15,19 euro in mijn
karretje. Blij pakte ik het gratis taartje aan. Tot ik zag
dat iedereen taartjes kreeg, ook mensen die maar twee dingen
hadden die bij elkaar echt geen 15 euro kostten.
Bij de deur stonden twee blije winkelmedewerkers. ‘Het is
voor ons ook goed’, zei het ene winkelmeisje tegen de andere
winkeljongen, ‘Even lekker uit onze comfortzone.’
Hinke
Vissia ©, maart
2011
Back to top
Italiaanse
les
Omdat
mijn groepsgenoten uit de beginnersklas aan het eind van
de cursus stopten, kreeg ik zomaar promotie naar niveau
4. Ik maakte me een beetje zorgen, maar dat was nergens
voor nodig. Groepje 4 lijkt namelijk meer op een kookcursus
dan op Italiaanse les voor iets gevorderden.
In de eerste les was er een quiche en een ingewikkeld brood
met lekkere dingen erin. De tweede les hadden drie mensen
taart gebakken en kwam een van de cursisten met een smaakvolle
aubergineschotel. O nee, melanzane
con pomodori, want het was Italiaanse les.
Tijdens het eten bespraken we, in het Nederlands, de ins
en outs van een Aga-fornuis en hoe je de lekkerste tomatensaus
kunt krijgen (door heel langzaam te laten garen in een Aga).
Het bespreken van het beste recept voor tomatensaus is trouwens
een heel Italiaanse gewoonte.
Een paar jaar geleden werden mijn vriend en ik op een Corsicaanse
camping elke ochtend wakker van onze Italiaanse buren die
op ruzieachtige toon het menu van de komende dag bespraken
en wat je nodig had voor de allerlekkerste tomatensaus en
hoe je die dan moest maken. De Italianen in kwestie hadden
een uitgebreid kampement met een complete keukenhoek inclusief
fornuis en spoelbak. Halverwege de onenigheid vertrok de
bink van de groep, een vitale vijftiger, in zijn turkooizen
zwembroek met zijn turkooizen toilettas op de fiets naar
de washokken. Daarna gingen ze allemaal boodschappen doen.
In de les was het tijd voor conversatie. Wat heb je vandaag
gedaan, hoe laat, van wanneer tot wanneer? Het lijkt simpel,
maar er gaat altijd wel iets fout bij een werkwoordsvervoeging
of woordgeslacht. Gelukkig had Monique een nieuwe telefoon
gekocht ( Monique
ha comprato un nuovo telefonino). Opgelucht schakelden
we over op het Nederlands om de voor- en nadelen van iPhones
en Samsung Galaxy’s te bespreken. En de apps. Voor de geïnteresseerden,
een app is in het Italiaans una
app.
Aan het eind van de les hadden we alleen het huiswerk nagekeken.
‘Volgende week krijgen jullie een Spartaanse les’, sprak
de lerares dreigend, ‘En we gaan niet eten!’
‘Ik denk dat ik dan maar meteen overstap op een cursus Duits’,
zei iemand uit de groep.
‘Dan maak ik Sauerkraut’, riep een ander.
Toch blijft het fijn, een nieuwe taal bestuderen. Het is
geruststellend om te ontdekken dat er altijd een onderwerp
is en een gezegde. Het is fijn om te leren hoe je moet zeggen
dat je wilt eten en een goed restaurant zoekt (sto
cercando un buon ristorante). Of dat je op de markt
tomaten wilt kopen voor een hele lekkere saus.
Hinke
Vissia ©, maart
2011
Back to top
Parachutemoord
Sinds
een tijdje hebben we weer een bijzondere moord met een intrigerende
naam: de parachutemoord.
Wil zo’n moord echt blijven boeien, dan moeten er wat
losse eindjes aan zitten zodat je er met allerlei mensen lekker
oeverloos over kunt speculeren.
Zo vraag ik mij bij de veroordeelde Els C. uit België een
paar dingen af. Bijvoorbeeld waarom ze per se een relatie
wilde met een man die al een vriendin had. Nog opmerkelijker
is de wetenschap dat ze de avond voor de fatale parachutesprong
in hetzelfde appartement verbleef als haar vriend, voor wie
ze dus tweede keus was, en diens andere vriendin. Op de website
van een gewone krant, geen roddelblad, las ik dat ze gek werd
van jaloezie door de ‘liefdesgeluiden’ uit de slaapkamer.
Daarom besloot ze de parachute van haar rivale te saboteren.
Els. C. deed dus waar de meeste bedrogen vrouwen in hun jaloezie
alleen over fantaseren.
Er bij blijven terwijl de man die jij wilt met een andere
vrouw in bed bezig is, lijkt mij een zinloze vorm van zelfkwelling.
In de media lost men dit op door in zo’n geval te spreken
van een driehoeksrelatie, liefst in combinatie met het woord
‘ingewikkelde’. Een driehoeksrelatie is een
verhouding waarbij twee mensen lijden en eentje profiteert.
Die ene is meestal de man, de overige twee zijn domme vrouwen.
Hoe dan ook zou ik in geval van een ménage à trois voor een
iets minder riskante hobby kiezen. Misschien nordic walking.
Al heb je dan stokken.
Nu heeft een zogeheten assisenjury Els schuldig bevonden en
haar veroordeeld tot dertig jaar. Aan parachutespringen zal
ze dus wel niet meer toekomen. Iets anders is dat er verder
weinig bewijs gevonden is, behalve dat ze een motief had en
gelegenheid om een paar cruciale touwen door te snijden. Het
lijkt me trouwens ook best verstandig om je parachute voor
elke sprong even grondig te controleren. Als je toch weet
dat er een concurrente in de buurt is.
Misschien gaat Peter R. de Vries nog eens uitzoeken hoe het
echt zit. Hoewel ik me dan door een eindeloze uitzending moet
heen worstelen, vol cliffhangers en reeksen commercials, weet
ik zeker dat ik het ervoor over heb. Maar dan wil ik wel graag
de onderste steen boven bij deze intrigerende zaak, inclusief
analyses van de persoonlijkheidsstoornissen van alle betrokkenen.
En dan heb ik meteen nog een suggestie voor Peter R: de
balpenmoord uit de jaren negentig onderzocht met de kennis
van nu. Naar de vraag of het technisch mogelijk is dat een
vrouw struikelt en daarbij een balpen precies in haar oog
en daarna in haar hersenen krijgt. En wel zo dat die pen van
buiten niet meer zichtbaar is. Of dat het schrijfgerei er
met een kruisboog in is geschoten. En waarom het eigenlijk
een balpen was. Want al die zaken houden mij al een jaar of
vijftien bezig.
Hinke
Vissia ©, november
2010
Back to top
Seconds
from disaster
De
leukste plek van een rampenfilm is het crisiscentrum. Het
kan best zijn dat de hele wereld brandt, er overal mensen
vluchtend, hamsterend en plunderend proberen te voorkomen
dat ze van de aarde afvallen, maar in het crisiscentrum
zijn ze gewoon aan het werk. Ook hebben ze er gewoon elektriciteit
en koffie en heel veel geavanceerde apparatuur om de catastrofe
mee te monitoren.
De ramp tekent zich intussen steeds scherper af op enorme
schermen die moeiteloos switchen tussen alarmerende grafieken
en het serieuze hoofd van de minister-president die nu,
à la minute het verschil moet maken met De Juiste Beslissing.
Gelukkig zijn er wat deskundigen die hem kunnen adviseren.
Er is bijvoorbeeld een nerdy jongetje dat uitlegt hoe bijzondere
microgolven het magnetisch veld van de aarde platleggen.
Midden in zijn uitleg klinkt een andere stem fatalistisch:
‘The whole west coast is out.’ Opeens beseft iedereen dat
het allemaal nog erger is dan ze dachten en dat mr. president
een beetje moet opschieten met beslissen.
De ramp speelt zich uiteraard af in Amerika, waarschijnlijk
omdat Europese acteurs niet zonder in lachen uit te barsten
dingen kunnen zeggen als:’I need those prime data now!’
en:’ You’re R is too small. We have to use wave interference!’.
Alles uiteraard
met de verbeten expressie van mensen die de wereld aan het
redden zijn.
Op dit punt schakelen we even over naar de het woelige toneel
van de catastrofe. Iemand van het crisisteam is namelijk
toch de klos en zit in de buitendienst. Hij moet daar met
gevaar voor eigen leven een Heel Belangrijk Ding doen dat
echt niet kan wachten. Ergens in het veld moet een knop
worden omgezet zodat de microgolven weer de goede kant op
kunnen stromen.
We weten allemaal dat dit hem gaat lukken, maar waarom kost
het elke keer zo idioot veel moeite en duurt het tot vijf
minuten voor het einde van de film? Waarom komt er altijd
een moment dat hij zijn mobiele telefoon kwijtraakt of op
een andere manier contact verliest met het crisiscentrum?
Hebben ze dan niks geleerd van al die andere rampenfilms?
De waarheid is dat ik moet blijven kijken terwijl ik het
ook zonde vind van mijn tijd, die ik beter kan besteden
aan een goed boek, Italiaanse woordjes leren of een documentaire
die echt ergens over gaat.
Maar zoals dat gaat duurt het tot vijf minuten na het einde
van de film voor ik de belangrijke knop gevonden heb die
mijn wereld deze avond kan redden. De knop van de tv.
Hinke
Vissia ©, november
2010
Back to top
Breedbeeld
Omdat
bij onze oude tv het geluid af en toe begon uit te vallen
en op andere momenten het beeld, reden we op zaterdagmiddag
naar Correct. De
vraag is waarom we eigenlijk überhaupt een tv wilden. Er
is toch bijna niks en ik kijk bijna nooit. Maar ja, met
zo´n mooie grote platte breedbeeld kunnen we ook heel goed
naar arthousefilms kijken en dat is in onze kringen best
wel oké.
Stiekem verheug ik me ook op het moment dat Sterretje, Sniper,
Bibi en Barbie levensgroot en vooral driedimensionaal Haags
vloekend bij mij de kamer binnenstappen. O, o, Cherso is
een fijn programma, gewoon om te lachen en me ondertussen
heel superieur, ontwikkeld en beschaafd te voelen. Daarvoor
is het denk ik ook gemaakt. Mensen die de plaats waar ze
op vakantie zijn niet op de kaart kunnen aanwijzen. Mensen
die trots zijn op hun veterstrikdiploma. Daarbij steekt
iedereen gunstig af. Ook iedereen die ruftend op de bank
hangt met een hand in een zak chips en een vinger in zijn
neus.
Deze week stond de vakantievilla van de Haagse jongeren
in het teken van de poolparty. Het moest iets worden met
veel drank, veel meisjes en o ja, een zwembad. De twee jongens
met het grootste gat in hun hand gingen even voor vijfhonderd
euro drank kopen. De meisjes trokken een van hun setjes
aan, met veel roze en bloot.
Ik verheugde
me heel erg op de poolparty, op liederlijke taferelen met
ruzie en kots rond een zwembad waarin op het laatst allerlei
mensen en dingen zouden drijven. En dat dan een van de meisjes
zou verzuchten:’Tering, wat een tyfuszooi.’
De telefoon ging. Niet in de villa, maar bij mij thuis.
Het was mijn moeder. We praatten even.
‘Ik ben eigenlijk iets belangrijks aan het doen’, zei ik
na een paar minuten,’Ik kijk naar O, o Cherso.’
‘Naar wat?’
Ik legde het concept uit. Ze kende het programma niet. Mijn
ouders zijn de laatste twee mensen in Nederland die geen
commerciële televisie ontvangen. Ze hebben een schotel,
kijken altijd naar Arte en verder houdt mijn vader zijn
Portugees bij met Portugese programma’s over landbouw.
Gelukkig is mijn moeder iets minder streng in de leer en
begreep ze dat ik wilde ophangen en dat ze niet, als mijn
vader, nog even moest beginnen over de vreselijke troep
op tv, de teloorgang van cultuur en beschaving en de schurkenregering
vol incapabele mensen die we nu weer kregen.
Ik had een stukje gemist, maar niet veel, want de poolparty
kwam niet echt van de grond. Zodat ze allemaal een beetje
rond het zwembad hingen, met ‘drie en een halve man en een
paardenkop’ en ‘helemaal vertiefd’ waren.
Gelukkig kon ik nog wel even Haags leren schelden
met: krijg jij lekker de touwtyfus, en: de tyfus, zeg! Vooral
dat laatste zinnetje sprak mij aan. Het is multifunctioneel
en je kunt het achter elke zin plakken. Taalkundig bekeken
was het dus ook een zeer geslaagde avond.
Hinke
Vissia ©, november
2010
Back to top
Chiuso
per ferie
Wie denkt
dat er in Milaan altijd wel wat te beleven valt, is er nog
nooit in augustus geweest. Er zijn dan alleen toeristen,
duiven, illegale handelaren, muggen en wat sukkels die gewoon
door moeten werken, zoals de politie.
Vanaf het balkon van het appartement van Tim hadden we goed
zicht op de politiewagen die geparkeerd stond naast een
kiosk vlak voor het appartementencomplex aan de Piazza Repubblica.
Op het dak stond in het wit het getal 327. Er zaten twee
agenten in. Af en toe stapte er een uit om te bellen of
te roken. Na een tijdje kwam er een tweede politiewagen
bij. Er werd wat gewapperd met papieren, waarna de 327 wegreed
en de 058 diens positie overnam.
´Dat is voor de consul van Brazilië´, legde Tim uit, ´Die
woont hier en heeft bewaking. Maar hij is nu trouwens op
vakantie.´
Ik vroeg me af hoe het voelde om de hele dag in Milaan op
de stoep te staan van een consul die op vakantie is, in
een warme auto, terwijl iedereen die je kent ook op vakantie
is en er vanaf een balkon naar je gestaard wordt door mensen
die lachend cocktails drinken.
We gingen wat eten in een van Tims vaste restaurantjes.
Onderweg zagen we veel zaken met neergelaten rolgordijnen
en briefjes met de tekst: chiuso per ferie, wegens vakantie
gesloten. Veel cafés, tabacchi en restaurants waren zelfs
de hele maand dicht. Maar iedereen was zo sympathiek de
gentile clientela daarvan met een briefje te informeren.
Soms hadden ze er echt werk van gemaakt en nog een plaatje
van een strandstoel of een zonnetje toegevoegd.
Toen we weer terugkwamen stond de 058 er nog steeds. Ik
wilde glimlachen of buona sera zeggen, maar iets hield me
tegen. Het waren toch carabinieri.
Boven zagen we dat er in de bosjes, schuin achter de politiewagen
twee legergroene jeeps bij waren gekomen en nog een politieauto.
De bemanning stond in een kluitje naast de auto’s met elkaar
te praten. Dat hielden ze een tijdje vol. Daarna reden ze
allemaal langzaam weg. De agenten uit de 058 waren blijven
zitten en niet aanwezig geweest bij het overleg.
’s Ochtends ging ik met een kopje koffie naar het balkon
om over het plein te staren en vooral om te zien welke auto
er nu stond. Het was de 007. Ik deed mijn hand omhoog om
te zwaaien en Buon giorno, James Bond te roepen, maar iets
hield me tegen. Het waren toch carabinieri. Ik liet mijn
hand zakken en krabde aan een muggenbult op mijn kuit.
Hinke
Vissia ©, november
2010
Back to top
Het
mysterie van het verdwenen saldo
Met de invoering
van de OV-chipkaart kwam er voor mij een einde aan een lange
en lucratieve periode van grijs rijden waarbij ik maar één
keer gesnapt ben. Ik werd in de loop der tijd wel steeds
zenuwachtiger van de toenemende hordes controleurs. Op het
laatst was ik er in getraind om het rood-blauwe uniform
van de RET in een flits vanuit een ooghoek te herkennen
en dan heel snel uit te stappen of flauw te vallen. De keer
dat het toch mis ging, handelde de RET dat efficiënt af.
Het hele proces van controle, constateren van een onrechtmatigheid,
uitstappen en de boete ter plekke voldoen verliep buitengewoon
soepel. Op het perron stond een RET-medewerker klaar met
een mobiel pinautomaatje en naast hem een vriend van de
politie. Het was een gedenkwaardig moment, want het was
de eerste keer in mijn hele leven dat ik een boete kreeg.
De metro bleef gewoon wachten tot alle handelingen voltooid
waren en de beboete reizigers hun reis konden hervatten.
Met de OV-chipkaart is niet te sjoemelen of je moet inbreken
in computersystemen en dat vind ik niet meer horen bij recreatief
zwart rijden. Dus werd ik een brave reiziger met een chipkaart.
Er was een uitgebreide campagne om iedereen te drillen zodat
we: nooit zouden vergeten in- en uit te checken, op tijd
ons saldo zouden opwaarderen, niet illegaal met zijn tweeën
door een poortje zouden glippen en ook niet boos tegen de
poortjes zouden trappen als die per ongeluk hard tegen ons
hoofd dicht zouden klappen. De controleurs kregen allemaal
langdurig verlof. Deze week was er opeens zomaar een euro
of vier van mijn saldo spoorloos. Op dinsdag had ik mijn
saldo opgewaardeerd tot een totaal van 12,09. Op donderdag
twee ritjes gemaakt die bij elkaar niet meer dan 3 euro
waard waren. Op vrijdag nog een ritje, waarna het resterende
saldo opeens rond de vier euro lag. Bij de informatiebalie
gaf de computer aan dat er niet was uitgecheckt tijdens
een busrit van Connexion. Ik had die dag inderdaad met de
bus gereisd, in Utrecht, op weg naar een vergadering. Maar
die rit had ik, for old times sake, nog gewoon met een strippenkaart
betaald. De OV-chipkaart zat in mijn jaszak. Langs het poortje
lopen was voldoende om in te checken, kennelijk niet om
uit te checken. Ik had de rit meer dan dubbel betaald. En
als ik het geld terugwil, moet ik een lang en ingewikkeld
formulier invullen en opsturen en hopen dat men tot restitutie
overgaat. Maar de rente over dat geld en over al de bedragen
die je weken van tevoren op pasjes moet parkeren voor het
geval je eens spontaan op reis wilt, die rente, daar hoor
je nooit iemand over.
Hinke
Vissia ©, juli
2010
Back to top
Vliegveld
Catania
Op
de plee in de vertrekhal van vliegveld Catania sta ik me
te verbazen over het ontwerp van de bril. Het is wel gewoon
een bril qua vorm, maar dan in opklapuitvoering. Het hele
opklapconcept is volgens mij al jaren overschat, maar op
Sicilië zien ze dat kennelijk anders. De vraag is nu: hoe
kan ik als persoon met smetvrees de volgende dingen voor
elkaar krijgen: de wc-bril omlaag klappen zonder dat hij
terugklapt, de bril bespuiten met desinfecterende spray,
de spray uitwrijven met een wc-papiertje, mijn broek naar
beneden doen en gaan zitten?
Heeft de maker van deze bril gedacht: we maken er een opklapbril
van zodat mensen die met veel kracht naar beneden moeten
duwen, met hun ene hand, en vasthouden, anders slaat hij
in hun gezicht terug? Terwijl ze ondertussen met de andere
hand hun broek naar beneden trekken? En dat doen we om het
de mensen lekker gemakkelijk te maken?
Of dachten ze: dit maakt gemakkelijk schoon? Niemand neemt
de moeite de bril naar beneden te doen en zo komt daar geen
poep of pies op en dan zijn de schoonmakers sneller klaar.
Als dit nou een mannenwc was, dan kon ik er wat mee. Mannen
plassen staand en hebben geen bril nodig. En poepen doen
mannen sowieso niet. Nou ja, soms, maar dan thuis met de
deur open.
Dit is geen mannenplee. Dus het enige wat ik kan bedenken
is dat er psychologen betrokken zijn geweest die een bijdrage
wilden leveren aan het grote smetvreesprobleem van reizigers
van en naar Catania. Nou, dat is dan gelukt, want ik slaag
er wel in de wc met een voet naar beneden te duwen en mijn
billen te ontbloten, maar dan raak ik vast. De wc-spray
komt in mijn gezicht terecht. Met schrijnende ogen ga ik
zitten, waar ik half naast de pot pis.
Het enige wat ik nu nog kan doen is mijn handen heel goed
wassen. Maar met de kraan is ook iets raars. Er zit een
sensor in die het niet doet.
Dit is het moment waarop de psycholoog zegt: ‘ Laat het
maar gebeuren.’
En:’ Zie je wel dat er niks aan de hand is als je je handen
niet wast?’
Maar ik wil gewoon de
bacteriën wegspoelen die aan de hand zijn en anders gebeurt
er wel wat, dan raak ik in paniek en als ik nou gewoon op
zijn minst mijn handen kan wassen in deze kloteplee!
Twee kranen verder ontdek ik dat ik voor wat water mijn
handen vlak voor de sensor heen en weer moet wapperen. Zodat
ik in ieder geval met schone handen de vertrekhal weer betreed.
En met schone handen in mijn ogen wrijf.
‘Heb je gehuild?’, vraagt mijn vriend.
‘Nee, geplast’, snuf ik.
Hinke
Vissia ©, juli
2010
Back to top
Cannoli
Scène
uit de meesterlijke maffiaserie The Sopranos: Tony staat
in de enorme keuken in zijn enorme villa. Na een dag vol
routineklussen, zoals even eigenhandig een lastige maffiamedewerker
omleggen en vergaderen in het kantoortje achter in de Badabing,
heeft hij natuurlijk honger. Dan zegt hij de intrigerende
woorden: ‘Are there any cannoli left?’
In het begin dacht ik dat het een soort pasta was. Maar
ik wist het niet zeker en het bleef een kwellende kwestie,
net zoals de vraag of de FBI Tony uiteindelijk klein zou
krijgen. Tot het eind van de serie bleef het punt van de
cannoli onbeantwoord om onverwacht zijn ontknoping te naderen
tijdens een vakantie op Sicilië. Natuurlijk, Sicilië, daar
moet je heen om iets van de maffia te begrijpen, al is het
maar op eetgebied.
Het reisboekje dat ik vooral gekocht had vanwege de handige
kaart meldde in het hoofdstukje ‘Handig om te weten’ op
paniekerige toon:’ Roept u het m-woord vooral niet hard
in het rond in dat charmante eettentje in downtown Palermo
en eigenlijk ook nergens anders. De lokale bevolking zal
u dat niet in dank afnemen. Ook niet noemen: omerta, Borsalino,
Falcone. De laatste twee alleen als het volstrekt duidelijk
is dat u op het vliegveld van Palermo doelt.’
Bij dit soort waarschuwingen ben ik altijd bang dat ik de
verboden woorden juist wel ga zeggen, maar daarvoor bracht
Tony (wat mis ik hem toch) uitkomst. Had ik ergens een maffia-achtige
associatie, dan zei ik gewoon tegen mijn vriend:’Vind je
ook niet dat die meneer erg doet denken aan een collega
van onze held uit de favoriete HBO-serie?’ Daarop bestelden
we dan heel onopvallend twee cappuccino, als domme toeristen
die niet weten dat dit na elf uur ’s ochtends echt niet
kan.
In het boekje las ik ook dat je naar de Niny-bar moest om
echte lekkere cannoli te proeven. De Niny-bar was een bakker
annex café. De Niny-bar zat toevallig precies in het kustplaatsje
waar wij onze eerste drie nachten doorbrachten omdat het
in de buurt van de Etna was. De Niny-bar zat zo dichtbij
dat ik niet meer te houden was en mijn vriend kon overtuigen
met de woorden: ‘Dat at Tony ook altijd.’
Er was een vitrine vol zoete dingen in soorten en maten
en ja, daar lagen nog net twee cannoli van fors formaat:
deegrolletjes waren het, gevuld met ricotta die aan het
ene uiteinde bestrooid was met cacao en aan de andere zijde
bedekt met stukjes noot. Ik begreep meteen waarom Tony daar
behoefte aan had aan het einde van een zware dag. Ik begreep
meteen dat ik die laatste cannoli moest bestellen. Ik bestelde
haastig due canneloni. De barman lachte charmant en verbeterde
me: cannoli!
Drie dagen later hoorden we aan de westkust dat het echt
niet kon dat wij in de Niny-bar de lekkerste cannoli van
Sicilië hadden gegeten. De lekkerste cannoli van Sicilië,
zei Allessandra, komen uit Dattilo. Ze zijn zo lekker omdat
men daar de ricotta pas in het deeghoorntje schept op het
moment dat je de bestelling doet. De ricotta is dan heel
vers. Elders stoppen ze de ricotta er van tevoren in en
om die gemakzucht te maskeren, doen ze er extra veel suiker
in.
Dattilo lag niet meer op de route en er zat daarom maar
een ding op. Meteen weer een ticket naar Sicilië boeken
om in Dattilo de enige echte cannoli te proeven en bij mezelf
te denken: ’Ik ga het m-woord echt niet per ongeluk zeggen,
echt niet.’
Hinke Vissia ©, juli
2010
Back to top
Sister
bonding
In
het kader van sister bonding ontmoette ik mijn zusje op
Utrecht centraal bij ´de oude Bruna´ voor een middagje shoppen.
Suf met elkaar winkels in en uitlopen is een laagdrempelige
manier om het contact met familie aan te halen.
Zusje wist ook al wat ze wilde doen: ‘Gladiatorshoes bij
de Bijenkorf, de must have van dit voorjaar.’ Ik fronste.
Ik ben niet zo dol op dat dwingende marketingjargon. Must
have is natuurlijk wel een briljante uitvinding. Als begrip.
Zodra je ‘must have’ hoort, denk je: ‘Jezus, wat zeg je?
Wat zijn gladiatorshoes en hoe kan ik het gemist hebben,
dat dat deze zomer de must haves zijn. Ik heb geen idee
wat het zijn, gladiatorshoes, maar als het must haves zijn,
laten we dan in godsnaam in gestrekte draf naar de Bijenkorf,
op ons hopeloos gedateerde schoeisel, en zonder dralen gladiatorshoes
aanschaffen. Dan hebben we in ieder geval de must haves
al binnen en is onze lente nog niet mislukt voor de eerste
terrasdag.’
Ik rende achter zusje aan, dwars door Hoog Catharijne, wat
zo lang het nog bestaat een heel geschikte plek is om hard
doorheen te jakkeren.
Bij de schoenenafdeling van de Bijenkorf stonden ze, de
Romeinenschoenen, in soorten en maten. Van platte sandaal
tot hoge hak, inclusief de ‘fuck me hoogte’ (jargon voor
zulke idiote hakken dat je ze alleen liggend kunt dragen).
Ik ging als de oudere zus braaf op een bankje zitten met
de tassen terwijl zusje de bandjes om haar enkels bevestigde
en een paar rondjes ging proeflopen op haar lange, elegante
stelten, die extra goed uitkwamen in de zwarte glimlegging.
Ik piekerde ondertussen over state of the art fashion (het
woord mode is echt passé) en wat er voor mij mogelijkerwijs
in de lentecollectie te halen zou kunnen zijn.
De hele winter heb ik rondgelopen in katoenen leggings,
overhangen met lagen andere textiel, bij voorkeur allemaal
rekbaar. In huis droeg ik daar dan ‘homies’ onder, een heel
comfortabel type sloffen. Buiten de deur verving ik die
door stevige warme laarzen. Niet elegant, wel warm. En sinds
de sneeuw gold bovendien het ijzersterke excuus dat je toch
niet wilde uitglijden en dat stevige schoenen met lage hakken
‘dus’ konden. Qua kleding mag het voor mij best nog even
flink vriezen, maar mijn zusje is met vooruitziende blik
al bij lente en zomer.
Met de schoenen in de tas belandden we bij het kledingsegment.
´Boyfriend jeans worden het ook helemaal´, zei zusje, en
ze liet mij zo’n spijkerbroek zien. Net wat ik al dacht,
een model waar voor de vrouw met ronde vormen niet veel
mee te beginnen is. Zelfs niet als je er een tent overheen
hangt.
'Tja,’ zei zusje peinzend, terwijl ze mijn in vormeloze,
verviltende winterjas gestoken postuur op zich liet inwerken,
‘misschien zijn boyfriend jeans toch wel wat voor jou. Skinny
jeans, daar hoef jij natuurlijk helemaal niet aan te beginnen.’
Volgde een passessie waarbij zusje het ene na het andere
schattige jurkje aantrok en ik op de goede momenten ‘oh’,
ah’ en ‘deze staat nog leuker’ riep. Vlak voor de oude Bruna
namen we afscheid. ‘Maar nu heb jij helemaal niks gekocht’,
pruillipte zusje voor de vorm.
Ik had nog een minuut of zeven voor mijn trein vertrok,
precies genoeg tijd om mezelf te verwennen met een koffie
en brownie, want het is nu toch al te laat voor mij, voor
deze lente. Dus ik zet gewoon in op voorjaar 2011 in de
hoop dat de peervorm dan weer helemaal must have is.
Hinke Vissia ©, april
2010
Back to top
Koffiepunten
Omdat
we al honderd jaar verschillende plastic zakjes vol DE-spaarpunten
hadden liggen van mijn schoonmoeder, fietste ik naar de
DE-geschenkenwinkel. Onderweg zeurde de non-conformist in
mij: ‘Je gaat toch zeker geen spaarpunten inwisselen in
een geschenkenwinkel? Hoe truttig kun je zijn?’ De krenterige
trut bracht daar tegenin dat niemand het hoefde te weten.
Dat het bovendien ging om een echte Bialetti Moka Express,
made in Italy, waarmee je heel eenvoudig de lekkerste koffie
kunt zetten. En dat voor maar 3990 punten!
De krenterige trut had gewonnen en ik parkeerde mijn fiets
bij een lantarenpaal. De winkel ging net open. Er kwamen
al wat andere heel burgerlijke puntenspaarders aanlopen
om hun slag te slaan. Een beetje zenuwachtig ging ik het
DE-paleis binnen. Misschien had ik de punten verkeerd geteld
of waren ze over de datum. Misschien zou ik dan wel iets
heel ergs moeten doen: bijbetalen.
Iedereen die een beetje bekend is met de wereld van het
punten sparen weet dat bijbetalen uit den boze is. Een no
go area. Wie bijbetaalt diskwalificeert zich definitief
en verpest het voor de echte spaarders die gewoon net zolang
koffie en thee drinken en punten uitknippen tot ze de 369.455
punten bij elkaar hebben voor een espressomachine inclusief
melkopschuimer.
Ik was binnen in de DE-winkel en besloot eerst maar rond
te kijken voor ik de oversteek zou maken naar de strenge
puntenteller die bij de kassa bezig was met belangrijke
voorbereidingen. Er bleek een hippe koffiecorner te zijn.
Je kon daar trouwens niet met punten betalen. En ik hoefde
geen koffie. Die drink ik altijd bij de Hema zodat de non-conformist
daar lekker gewone mensen kan observeren.
Verder stonden er een stuk of wat ingewikkelde espressomachines
waarvoor je een grotere keuken moet nemen. En heel veel
servies. Van ingetogen effen bruin of wit tot bonte kopjes
met grote tulpen. Er was ook een soort stedenreeks. Van
elke stad met een DE-winkel was een kopje met in grote rode
letters de naam van de stad. Rotterdam was er ook bij. Dat
was dan kennelijk leuk. Alle kopjes hadden trouwens een
groot en niet te missen DE-logo.
Ik stond nu bij de kassa en daarna ging alles eigenlijk
vanzelf. Ik zei de woorden Bialetti, punten en 3990. De
puntenman stopte de punten in een envelop zonder te tellen
en ik kreeg mijn koffiepot. Hij is heel handig, je zet hem
op het gas met water en koffie en dan gaat het al snel lekker
ruiken en heb je koffie. Hij neemt weinig ruimte in. En
er staat lekker geen DE-logo op, want dat heeft de non-conformist
natuurlijk meteen gecontroleerd.
Hinke
Vissia ©, april
2010
Back to top
Raar
cadeautje
Het
raarste cadeautje dat ik ooit gekregen heb, ontving ik vorig
jaar met Sinterklaas. Het ligt sinds die tijd op mijn bureau
in een bakje. Het rommelbakje met heel veel handige dingen
die ik meestal niet kan vinden omdat er andere handige dingen
op liggen.
Ik schaam mij een beetje voor dit ding en het is ook een
beetje eng. Het is een brievenopener, een antiek exemplaar,
want hij komt van mijn grootvader of overgrootvader. Het
handvat bestaat uit een opgezet geitenpootje, inclusief
geitenhaar en –hoefje. Het is dus een dood geitenpootje.
Aangezien
het uit de familie komt is het zeker dat ik dit dode geitenpootje
nooit kan weggooien. Maar elke keer als ik er naar kijk,
zie ik het geitje voor me dat er ooit aan vastzat, huppelend
in een groene wei. Het kan trouwens best een Duits geitje
geweest zijn, want het pootje komt uit mijn moeders Oost-Duitse
familie. In dat geval huppelde geitjelief waarschijnlijk
ergens in de Thuringse wouden of velden rond, nietsvermoedend
en zorgeloos.
Omdat
ik af en toe toch post krijg heb ik het pootje al een paar
keer gebruikt. Hij doet het goed. Het mes is geschikt voor
grote enveloppen en behoorlijk scherp. Er zit een leren
hoesje om zodat je je er niet per ongeluk aan kunt snijden.
Aan alles is gedacht. Maar ja, dat witte, nu wat gelige
haar, het spleethoefje… Hoe moet ik dat uitleggen aan mijn
omgeving? Dat ik mijn rekeningen open met een stuk overleden
geit? Of misschien was het wel een bok.
Hinke Vissia ©, april
2010 Back
to top
Amsterdam
In
Amsterdam verstaan ze in de horeca nog de kunst van het
vakkundig negeren van klanten. Het kan niet anders of ze
hebben er speciale scholen voor of ze gaan met zijn allen
eens per jaar op trainingskamp, ergens in Oost-Duitsland.
Daar lopen heel veel werkloze horecamedewerkers rond, gespecialiseerd
in wegkijken en druk bezig zijn met niets, terwijl de klant
zich kleiner en kleiner gaat voelen om al snel stilletjes
af te druipen.
Het was druk in Paradiso, op vrijdagavond, bij de garderobe.
Ik stond in de verkeerde rij. Die was wel kort, maar omdat
het de verkeerde rij was liet de garderobejongen ons extra
lang wachten. Terwijl hij jassen aanpakte van de mensen
uit de goede rij, die weghing en bonnetjes uitdeelde, keek
hij af en toe even vuil mijn kant uit. Ik had het aardig
gevonden als men een bordje had opgehangen met ‘verkeerde
rij’ erop. Dan had ik tenminste geweten waar ik aan begon.
Maar bordjes ophangen is service en daar doen ze niet aan
in Amsterdam.
Ik stond met gekruiste benen te wachten, portemonnee klaar.
Want in Amsterdam moet je overal voor betalen, dat wist
ik gelukkig al. Mijn gezelschap was al beneden aan het warmdraaien
voor A place to bury strangers, want zo heette de eerste
band. A place to bury Amsterdammers had mij toepasselijker
geleken.
Dat warmdraaien, moet je trouwens niet te licht opvatten.
Het is een heel belangrijk ritueel voor ervaren concertgangers.
Het gaat zo: je begint met een beetje lummelen bij de tafel
waar cd’s, shirts en leuke gadgets te koop liggen. Als je
mazzel hebt staat een van de bandleden zelf achter de tafel
en kun je alvast pre-gig socializen. Je bekijkt de koopwaar
en laat dan heel terloops vallen dat je alles al hebt, in
ieder geval de cd’s. Daarna zeg je
dat je ze trouwens ook al hebt zien optreden in Berlijn,
Barcelona, Brussel en zes festivals in Europa. Tot slot
wens je ze succes. Of je geeft ze een joint voor ‘after
the show’. Tegen die tijd ben je al bijna met ze bevriend.
Ik miste dit allemaal, in de rij voor de jassen, terwijl
ik ook nog moest plassen en probeerde mijn mondhoeken omhoog
te denken. Als ik eenmaal chagrijnig ga kijken, kan ik het
namelijk helemaal vergeten dat mijn jas wordt opgehangen
voor sluitingstijd. Ik wilde me niet laten kennen en gewoon
heel vrolijk blijven wachten. Helaas had ik geen joint bij
me om als omkoopwaar in te zetten.
Na een kwartier kwam er versterking, in de vorm van een
tweede garderobejongen. De eerste garderobejongen kotste
zijn opgehoopte ongenoegen eruit: ‘Waar was je, het is druk!’.
Oké, dacht ik, actie. Als de tweede garderobejongen nou
verder gaat met de verkeerde rij is dat opeens gewoon ook
een goede rij geworden.
En dat gebeurde ook, maar niet meteen. De tweede garderobejongen
moest eerst een ingewikkeld verhaal vertellen, zijn eigen
jas ophangen, een biertje openen met zijn tanden, een paar
slokken nemen, het biertje wegzetten, het biertje toch maar
ergens anders wegzetten. Toen ging hem kennelijk een licht
op. O ja, hij was garderobejongen. Hij pakte mijn jas, mijn
geld en gaf me een bonnetje. Ik rende naar de zaal. Het
concert was al lang bezig. Dat had ik weer: geholpen worden
door iemand die net terug was van trainingskamp.
‘Hee’, zei mijn vriend toen ik hem in de grote zaal gevonden
had, ‘waar was je nou? Ik sta op de gastenlijst van APTBS,
morgen in Botanique in Brussel. Jammer dat jij er niet ook
bij was.’
Hinke
Vissia ©, april
2010
Back to top
Voetbal
Om
relatietechnische redenen begeef ik mij de laatste jaren
af en toe in de wereld van het voetbal. Het is een sluipend
proces dat hoort bij iemand zo leuk vinden dat je denkt
dat alles wat hij doet automatisch ook leuk is. Het komt
nu dus voor dat ik hem een sms´je stuur met: Atteveld weg
bij Den Haag, of: Zwinkels heeft ernstige blessure.
Soms hoor ik mezelf dingen zeggen als: ‘Laten we samen in
bed Champions League kijken.’ Kijken betekent dan voor mij:
lezen in bed en op de goede momenten instemmende of afkeurende
geluiden hummen als er iets belangwekkends gebeurt op het
veld. Hij is al die tijd hele belangrijke berichtjes aan
het uitwisselen met gans het voetbalnetwerk, dat bestaat
uit Hagenezen (nooit ADO zeggen, maar FC Den Haag), Feyenoorders
en een enkele Spartaan of verdwaalde PSV’er. Mijn liefde
gaat zelfs zo ver dat ik het verdraag om in slaap te vallen
met op de achtergrond een van de vele programma’s waarin
oude mannen ouwehoeren over voetbal. Hij moet wel de liefde
van mijn leven zijn, dat ik die dingen allemaal doe en zelfs
schattig vind.
Het is trouwens ook grappig om het bijbehorende jargon tot
je te laten doordringen. Voor sommige clubs zijn in de FC
Den Haag-clan bijnamen in omloop die verbazen omdat ze uit
de mond van volwassen mannen komen. Dan zegt vriend bijvoorbeeld
tegen bezoekend voetbalmaatje:’ We moeten tegen Fietstas
(lees Vitesse) echt punten pakken.’
Voetbalmaatje antwoordt: ‘Tegen Pluskut (lees FC
Twente) hebben we weinig kans over twee weken.’
Het kon natuurlijk niet uitblijven: de vraag of ik een keer
meewilde naar een echte wedstrijd. Met de verzekering dat
het met de hooligans echt meeviel en dat we niet in het
Den Haag-vak hoefden te zitten. Zo liet ik me paaien en
zat op een koude zondagmiddag in de Kuip. Tussen Feyenoordaanhangers,
dus we moesten ons discreet gedragen en niet juichen bij
onwaarschijnlijk geachte prestaties van Den Haag.
Rechts achter het doel waren de echte Den Haag-supporters
al aan het warmdraaien met groengele vlaggen, sjaals, vuurwerk
en luid gezang. In het tegenovergelegen vak speelden Feyenoorders
handbal met een steeds slapper wordende opblaasooievaar
en daarbij een spandoek met de tekst: We will kill your
stork. Het was kortom de gebruikelijke voetbalfolklore.
Elke keer als Feyenoord in de buurt van het doel kwam, riep
een vrouw naast me heel irritant: ’En boem!’ Vlak voor het
einde was het 2-1 voor Feyenoord en het zag er naar uit
dat FC Den Haag weer eens genoegen zou moeten nemen met
een nederlaag. De enige hoop was gevestigd op de blessuretijd.
‘En boem’, fluisterde ik toen Den Haag in de 93e minuut
gelijk maakte. De vrouw naast me keek not amused. Grijnzend
kneep ik in de hand van mijn vriend. En ik besefte: echte
liefde beleef je in een aftands stadion waar je twee keer
vijfenveertig minuten hebt zitten kleumen en je plas ophouden
om te zien dat Den Haag net niet verliest
Hinke
Vissia ©, april
2010
Back to top
|
![]() |
In die Heimat
(december 2011)
Romantisch Berlijn
(december 2011)
Konijntjes
(juli 2011)
Moderne communicatie
(mei 2011)
ADO-NEC op zaterdagavond
(maart 2011)
Verbouwing
(maart 2011)
Italiaanse les
(maart 2011)
Parachutemoord
(november 2010)
Seconds from disaster
(november 2010)
Breedbeeld
(november 2010)
Chiuso per ferie
(september 2010)
Het mysterie
van het verdwenen saldo
(juli 2010)
Vliegveld Catania
(juli 2010)
Cannoli
(juli 2010)
Sister bonding
(april 2010)
Koffiepunten
(april 2010)
Raar cadeautje
(april 2010)
Amsterdam
(april 2010)
|