|
Columns Christine Davidson
Na een dag rijden komen we aan in Perpignan. We zijn op
weg naar Spanje om na een paar maanden hard werken te genieten
van drie weken rust.
Het is laat, alle restaurants zijn gesloten. Dan nog maar
een drankje in de bar van het hotel. Met veel nootjes. Naast
ons zit een grijs echtpaar, Engelsen.
We raken aan de praat. Waar we vandaan komen, hoe lang we
hebben gereden, waar we naartoe gaan.
Mijn man wil nog wel een biertje maar ik ben moe en besluit
vast naar de kamer te gaan.
Sneller dan ik dacht komt mijn man binnen. Hij zegt niets
en loopt direct naar de spiegel in de badkamer. Aandachtig
bestudeert hij zichzelf.
'Wat doe jij nou??'
'Mmm, niks.'
'Hè? Hou eens op, je doet nooit zo raar.'
Het is even stil.
'Weet je wat die vent vroeg?'
'Die Engelsman?'
'Ja die. Hij vroeg:'Bent u ook gepensioneerd?'
Ik klap dubbel in het hotelbed en plas bijna in mijn broek.
Mijn echtgenoot, is 'not amused'.
Mijn zoontje en ik staan in de lift na een lange dag. We
zijn op weg naar onze voordeur.
Hij is vrolijk en trekt gekke bekken, ik moet erg om hem
lachen.
Er stapt een mevrouw bij ons in.
Ze is hoogblond, uit een pakje. Haar ogen zijn zwart omrand.
'Zooo' zegt ze lachend tegen mijn zoon, 'ben je lekker een
daggie met oma mee?'.
Mijn zoon antwoordt niet. Hij kijkt naar mijn gezicht.
Ik verstijf. Met grote ogen staar ik haar aan. Ik lach niet
meer. De lift opent bevrijdend haar deuren. Dankbaar stap
ik uit.
Ik neem mij voor niets over het voorval te zeggen.
Dan rent mijn zoon voor mij uit naar de voordeur.
Hij roept luid:'Pappa, Pappa! Moet je horen wat die mevrouw
zei tegen mamma!'
Was ik toch even vergeten dat mijn kleine zoon nog geen
geheimpjes kan bewaren.
Maar ja, je vergeet weleens wat, als je oud wordt…
Christine Davidson ©, augustus
2010
Back to top
“Ik ga naar de Matthäus Passion.” zeg ik.
Mijn nichtje van vijftien kijkt mij ontzet aan. “Ga jij
drie uur lang naar dat gejank zitten luisteren? Doe normaal
man, ga eens met je tijd mee zeg!” In haar rechteroor zit
een oortje van haar iPod.
Ze is druk bezig met het zoeken naar een liedje. “Hier”
zegt ze, “hier, moet je eens luisteren. Tokio Hotel, gaaf
hè?”
Op de iPod verschijnt een plaatje van een meisje met een
ontploft kapsel.
“Wat een knap meisje. Zij lijkt een beetje op Bach die zo
is geschrokken dat zijn haren recht overeind zijn gaan staan!”
zeg ik lachend.
Ik krijg pinnig commentaar:“Dat is een jongen, dat zie je
toch?”
Zie ik het? Volgens mij niet. Ben ik zo uit de tijd?
‘s Avonds zit ik bij het concert achterin de zaal. Ik kan
de grijze bolletjes tellen. Gemiddelde leeftijd vijfenvijftig
jaar. Mannen in pak, vrouwen in mantelpakjes. Mijn vriendin
merkt nog scherp op dat er geen allochtoon te bekennen valt.
Blank en grijs zijn de overheersende tinten.
Het concert is prachtig. De dirigent laat ons de tekst voelen.
Als Jezus is gestorven houdt hij een paar minuten rust.
Het publiek is doodstil.
Ga ik met mijn (leef)tijd mee door hier te zitten? Of juist
niet?
Ik lees mee met de tekst van de Matthäus. Bovenaan de pagina
staat ‘1 of 14 pages’. Onderaan de pagina staat een internetadres.
Bach gaat een paar honderd jaar na zijn dood zelfs nog met
zijn tijd mee.
Zijn tekst staat gewoon op internet. Voor mij is er ook
nog hoop.
Christine Davidson ©, april
2010
Back to top
Tien weken oud en onhandig, valt ze van een bruggetje in
een half bevroren sloot. De baas moet tot zijn middel het
ijskoude water in om het spartelende pupje te redden. Allebei
koud en nat redt de warme auto hen van de vrieskou.
Een zonnebril, een tandenborstel, gloednieuwe leren schoenen,
een rekenmachine. Gesneuveld in de strijd om zich te vermaken
tijdens spaarzame avondjes alleen thuis.
Ze heeft een voorkeur voor touwtjes. Meters tandfloss trekken
wij uit haar bek nadat ze een verdwaald doosje onder de
bank heeft gevonden.
‘s Nachts moet soms poep van het parket of de vloerbedekking
worden gepoetst.
Rillend zit ze weggekropen in het verste hoekje van de kamer.
Ziek, zielig en in de war door het bevuilen van haar eigen
nest.
Elke ochtend is zij als eerste wakker. Kwispelend duwt ze
haar natte neus onder het dekbed. Of likt een buiten het
bed hangend lichaamsdeel af.
Bij Van Dalen plast ze tegen een hele stapel zaterdagkranten.
Haar lieve snuit en de eigenaren (liefhebbers van honden)
redden mij van het onnodig kopen van een berg nat papier.
Na jaren alleenheerschappij komt er een tweepoot bij: onze
zoon. Als aan de kinderwagen geplakt loopt ze mee door bos
en stad.
Als hij zelf kan lopen wordt op een leeg strand pijnlijk
duidelijk dat het kleine baasje nu de dienst uitmaakt. Wij
willen naar de zee. Onze zoon wil naar de glijbaan die aan
de duinrand ligt. Ze kijkt naar hem, ze kijkt naar ons,
draait zich resoluut om en loopt naar het kleine baasje.
Oren in haar nek, haar ogen angstig. Geen minuut kan ze
stil zitten. Ze heeft pijn. Onze prachtige, grote vierpoot
is verworden tot een hoopje ellende. Ze spuugt al haar eten
en drinken uit. Vier bezoeken in drie dagen aan twee dierenartsen
bezegelen haar lot. Haar nieren zijn kapot. Wij zijn ook
kapot, van verdriet.
Na negen jaar is het op. Wat een geluk dat we zo’n
prachtige hond hebben gehad.
Christine Davidson ©, februari
2010
Back to top
|
![]() |
Gelijke munt
(augustus 2010)
Met je tijd mee
(april 2010)
Hond uit één stuk
(februari 2010)
|